De loop van de Arno: Divina Commedia: Louteringsberg: Canto 14a

De 2 dichters lopen verder langs de bergrand. Ze horen stemmen van 2 Italianen die zich afvragen wie zij toch zijn, waarvan 1 een lichaam heeft. Ze lopen daar om de berg heen en krijgen de kans om de oren en ogen de kost te geven.

Ze vragen het aan Dante en Vergilius. Dante draait om het antwoord heen. Hij zegt niet rechtstreeks dat hij uit Florence komt, maar noemt de rivier die door zijn stad stroomt. Ook zonder deze te noemen, maar de 2 weten dat het om de Arno gaat.

Het 2-tal uit Italië begrijpt waarom Dante de naam niet noemt. Het klinkt of je het vergeten wilt, zegt één. Dingen die afschuwelijk zijn, spreek je niet uit. De ander schim merkt op dat aan de Arno misschien ook wel niet zulke beschaafde mensen wonen. Hij verwijst naar de graven Guidi die het kasteel Porciano bezaten. De vergelijking met het varken, porco, is snel gemaakt.

Het gedeelte van het verhaal dat volgt, zit boordevol met dit soort verwijzingen. Dante volgt de loop van de rivier en vergelijkt de bewoners van elke stad langs de rivier met een diersoort. Het is bijna reis door de hel, hoe lager hoe verschrikkelijker.

Door botte varkens heen, die eikelen meer verdienen dan ander voedsel, geschapen tot menschelijk gebruik, richt hij eerst zijn armelijk pad.
Keffertjes vindt hij voorts, daar hij lager komt, meer grijnzend dan hun kracht vergt, en ze minachtend keert hij den muil van hen af.
Hij gaat al vallende, en hoe meer die gemaledijde en ellendige sloot aangroeit, te meer ziet hij de honden tot wolven worden.
Voorts afgedaald door meerdere diepe zeeën, vindt hij de vossen zóó vol van loosheid, dat zij geen list vreezen die hen ving. (vs 43 – 54, Boeken)

Van de varkens in het Noorden, via de honden naar de wolven en tenslotte, in het losgeschoten stuk Italië, Sicilië waar de wolven zitten.

Een rijk scheldspel dat de verteller hier speelt. De beledigingen zijn niet van de lucht. Het gaat er hier hard aan toe, zoals de verteller duidelijk maakt aan de lezer.

Ook hier gebruikt Dante de Italianen voor een voorspelling van zijn lot: zijn verbanning uit Florence. Iets wat hij natuurlijk prachtig doet door het verhaal in 1300 te laten spelen en dan profetiën te doen.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 13

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van H.J. Boeken uit 1907-1910. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Niet de wolken

De roman Een charimatisch defect van Eva Kelder opent met de wolken. Onrustige wolken:

Het was een nacht waarin de wolken troost zochten. Dicht tegen elkaar aan geschurkt bewogen ze traag langs de nachtelijke hemel, als een laatste front tussen boven en beneden. (11)

Zoals in een klassieke roman hoort, verraden de wolken alles. De wolken die samenpakken en het licht niet meer doorlaten. De wolken die langsrazen. Maar tegelijkertijd spot de verteller met deze voorbodes. Zeker, ze drijven over, die donkere wolken, maar ze benadrukken vooral de duisternis in de mensen zelf.

Stilletjes liep ze naar buiten, stak het erf over en legde haar hoofd in haar stijfgetrokken nek. Rolde haar hoofd van links naar rechts en gluurde naar de lucht. Grauwe wolken trokken de hemel dicht, geen plek voor licht. (177)

De hemel buiten als vertaler van de wereld binnen, in de hoofdpersoon. Hoe het verhaal je laat zien dat het niet de wolken zijn, maar de mensen die het verhaal vormen.

Eva Kelder: Een charismatisch defect. Roman. Amsterdam: Meulenhoff, 2017. ISBN: 978 90 290 9114 5. Prijs: € 18,99. 256 pagina’s.Bestel

Een charismatisch defect

Zijn de idealisten uit de jaren ’60 inderdaad mensen die verdraagzaamheid nastreefden en voor vrede en gelijkheid streden? Dat is de vraag die in je opborrelt na het lezen van de roman Een charismatisch defect van Eva Kelder.

Ze schreef haar 2e roman in een specifiek tijdvak: de tijd van de idealisten in de jaren ’60. De roman vertelt het verhaal van Anneke. Ze ontsnapt net van school uit de greep van het ouderlijk huis. Haar autoritaire vader ruilt ze in voor een commune onder leiding van de donkere Amerikaan Blake.

Hij noemt haar April, de maand waarin hij haar voor het eerst ontmoet en zij op hem een onuitwisbare indruk maakt. Ze wordt zijn liefje, maar moet zijn aandacht met de commune delen. Ze maakt deel uit van een commune met mensen die allemaal een betere wereld nastreven. Gedweep met Nietzsche, zonder zijn naam te noemen. Maar zit het kwaad wel in de directeur van een fabriek die wapens maakt of een regent die partij kiest voor de vijand?

Het kwaad zat niet in de hemel, in de tijd, de mensen, het land, de stad, het kwaad zat in haar. En misschien ook wel in hem. (70)

Niemand heeft aandacht voor de duistere kant van Blake en zijn beweging. Ze krijgt een zoon met hem, Fedja, maar ze deelt een veel ongrijpbaarder geheim met hem en hun vriend Curacao Dick. In het 2e deel van de roman probeert ze het enorme schuldgevoel dat hieruit voortkomt grijpbaar te maken. Maar het lukt niet. Haar zoon staat verder van haar af dan ooit en ze verliest de net opnieuw gevonden Curacao Dick.

Met de roman laat Eva Kelder zien dat idealisme ook een keerzijde heeft. Als het misgaat, gedragen idealisten zich net als de mensen tegen wie ze zich keren. Die keerzijde laat de verteller in de roman vooral zien als het gaat om de relatie tussen April en haar zoon Fedja. Ze krijgt geen vat op hem en hun relatie lijkt hetzelfde lot beschoren als haar relatie met haar vader. Het kwaad zit niet in het systeem, het zit in jezelf.

Idealisme is mooi, maar als dat ten koste gaat van iemand anders vrijheid of zelfs zijn leven, dan drukt dat op een mensenleven. Eva Kelder laat dit zien in haar indringende roman. Voor de een drukt de schuld te zwaar op zijn gemoed, de ander zoekt het in een nieuw leven op het platteland. Anneke vindt het in de gedichten en uiteindelijk ook in de keuze voor wie ze kiezen moet: haar zoon.

Zo blijf je als lezer achter en hoopt dat ze hierin slaagt.

Eva Kelder: Een charismatisch defect. Roman. Amsterdam: Meulenhoff, 2017. ISBN: 978 90 290 9114 5. Prijs: € 18,99. 256 pagina’s.Bestel

Themapark – Naar de hunebedden (5)

We lopen daarna door het themapark om te zien in welke huizen de hunebedbouwers leefden. Huizen die al veel laten zien van de bouw als het Los Hoes. Een eenvoudige kapconstructie zoals nog duizenden jaren gebouwd is. Zelfs onze huizen zijn hier nog op geïnspireerd met de schuine, aflopende daken.

Op het dak ligt riet, soms heel stengels. Boven het vuur hangen grote stukken dierenvel, van koeien onder meer. Het houdt de vonken tegen van het vuur. Dat verkleint de kans op brand. De rook zoekt een weg door de kieren en gaten. Bovenin de nok van het dak, aan de voorkant van het huis, zit een groot gat voor de ventilatie.

De bankjes die er staan zijn typisch iets voor de moderne mens. Wij brengen een heel groot deel van de dag zittend door. Iets wat de hunebedbouwers veel minder deden. Zeker, ze zullen gezeten hebben, maar meer op de vlakke bodem of op een boomstam of iets anders. Niet op een krukje of een bankje zoals die hier staan.

Ook hier leer je weer vuur te maken. Er zijn meerdere technieken vertellen de vrijwilligers van het park. Ze dragen de kleding van de hunebedbouwers. Lange gewaden om het lichaam gedrapeerd. Het is lekker warm bij het vuur, terwijl het buiten ondanks de zon helemaal nog niet zo heet is.

De huizen uit de bronstijd en de steentijd lijken op elkaar. Anders is het met de hutten van de jagers en verzamelaars. Hier zijn het vooral tijdelijk bouwsels. Voor een korte periode om als er geen voedsel meer te vinden is, verder te trekken.

Er staat een tent gemaakt van takken en dierenvellen. Het houdt veel kou tegen, het vuurtje zou voor de tent moeten worden gemaakt. De ronde hut die naast de tent staat, is gebouwd van wilgentenen en riet is heel mooi. Hier is het zelfs mogelijk om een vuurtje in aan te leggen.

Inspirerend en mooi om te zien hoe onze verre voorouders leefden in het ruige moerasland dat Nederland toen was. Daarnaast is er een heus blote voetenpad te vinden in het themapark. De schoenen uit en dan met de blote voeten over houtsnippers, kleine steentjes, zand, verbrande houtskool, schelpen en modder.

Een belevenis voor de voeten. Hier liepen de hunebedbouwers gewoon de hele dag doorheen met de blote voeten. De dikke eeltlaag die zij bezaten, hebben wij niet meer, merk ik als ik zo loop. Het is wel een belevenis en ik neem mij voor om vaker op blote voeten straks in de tuin te lopen.

Na het ijsje gaan we terug naar het hunebed. Die belevenis willen we nog een keer meemaken. Het is altijd mooi om met zoiets af te sluiten. Nog even langs de stenen en het verleden beleven. Daar kan geen museum tegenop. Dichterbij kun je niet komen. Dat ervaar ik hier weer. Het is genieten als we een momentje helemaal alleen zijn bij de stenen. Kijken, kijken, maar vooral beleven. Wat is dit mooi!

Zo rijden we even later genoegzaam weer naar huis. Het is een eind rijden zo vanuit Noord-Drenthe naar de Flevopolder. Als lijkt de terugreis veel sneller te gaan. Geen Hans Sibbel over forensende automobilisten, maar nu draaien we muziek van Spinvis. Een gezellig dagje weg, een betere verjaardag kun je je niet wensen. En inderdaad, ze is er heel content mee.

Dit is het 5e en laatste deel van de serie Naar de hunebedden.

Aanraking met verleden – Naar de hunebedden (4)

Ondanks al deze kleine aanrakingen met het verleden, is het mooiste moment wel als we naar buiten gaan en oog in oog staan met onze verre voorouders. De gestapelde stenen van het hunebed brengen je gewoon het dichtste bij deze mensen. Hoe anders ze ook leefden, als je je ogen en handen over de oude stenen laat glijden, ben je heel even dichtbij. Er zijn ook mensen die erop klimmen maar dat vind ik oneerbiedig.

Hoe lang het ook geleden is. Meer dan 5.000 jaar! De groeven in de stenen, meegevoerd door het ijs nog veel langer geleden. Voor de stenen zijn de jaren dat ze opgestapeld liggen slechts een fractie van de jaren dat ze vooruit gedrukt door het ijs hier in Drenthe belandden.

Terwijl Doris over de stenen kruipt en springt, streel ik de stenen. Voel hoe de eeuwen verglijden. Als ik onder de stenen kijk, zie ik hoe mooi recht de dekstenen zijn van boven. Een bijna rechte lijn. Het vormt een prachtig plafond. Zeker als je weet dat er nog een flink deel van dit grafmonument onder de bodem ligt. Het schijnt dat een deel van de originele vloer van kleileem er nog ligt in de grond.

Maar het staan hier, lopen langs die immense keien, afgestompt en vervormd door het ijs. Het steen heeft ronde vormen gekregen door die gigantische krachten die ermee gespeeld hebben. En dan die onderkant kaarsrecht. Net als dat de grote dekstenen zo doodstil liggen op de rechtopstaande stenen. Allemaal versjouwd en versleept door deze mensen. Hier zit een enorme kracht achter. Spierkracht en denkkracht. Hoe krijg je anders die stenen hier en daarnaast op elkaar?

Zo dwaal ik in gedachten tussen grote stenen door. Voel het verleden wel heel dichtbij. Ik streel met mijn vingers over de stenen. Zo voel ik in de groeven een verleden van ijs en mensenhanden. Gebouwd voor de overledenen, is dit het enige dat nog zichtbaar is in het landschap.

Dit is het 4e deel van een serie. Lees morgen het 5e en laatste deel: Themapark.

Kloostermoppen – #fietsvakantie

Van het klooster bij Sibculo rest niet veel meer. Alleen de waterput staat nog overeind, maar verder is alles zo goed als verdwenen. Vrijwilligers hebben wel een kloostertuin opgericht in de buurt van waar eens het klooster moet hebben gestaan.

Na de Reformatie raakt het klooster in verval. De overheid heeft zich het klooster van Sibculo toegeëigend, maar het wordt vooral geplunderd. De kostbaarheden uit de gebouwen moeten er eerst aan geloven, later worden ook de stenen gebruikt om er andere gebouwen mee op te richten.

We lopen over het smalle pad dat achter de huidige kerk ligt. De omliggende heuvels zijn begroeid, soms steekt er een steen uit de grond. Het zijn de beroemde kloostermoppen. De dikke stenen vormen het fundament van dit gebouw waar monniken zich terugtrokken van de samenleving.

Het klooster is een bijzonder fenomeen in mijn ogen. Het is jammer dat er zo weinig middeleeuwse kloosters in Nederland zijn overgebleven. Vaak staat er nog een kapel of ander bouwwerk. Hier in Sibculo blijft het beperkt tot de waterput.

Als we ons broodje op hebben, stappen we weer op de fiets. Op weg naar Westerhaar-Vriezenveensewijk en Vriezenveen.

Fietsvakantie

In augustus maakten Doris en ik een mooie fietstocht door Nederland met als bestemming: Twente. Elke week op vrijdag schrijf ik een stukje over deze bijzondere fietsrit.

Tuinfantasie – Tiny House Farm

Tussen het verkopen van boeken, het regelen van de hypotheek en maken van de tekeningen, is er ook nog tijd om aan de tuin te denken. Deze week deed ik voor het eerst mee met de boekenveiling van catawiki, de opbrengst viel mij een beetje tegen.

Gelukkig zijn er veel boeken in de bibliotheek te vinden. Zoals het boek over de eetbare tuin dat ik een tijdje terug vond. Als je dit boek openslaat, sla je stijl achterover: wat kun je een hoop planten eten!

Veel planten en bloemen om je heen, kun je gewoon opeten. Denk aan paardenbloem, herderstasje, maar ook de bladeren van de berk en allerlei sierplanten die je in de siertuin terugvindt.

Variatie lijkt het toverwoord. Verschillende soorten bessen, maar ook een mooi haag van verschillende soorten eetbare struiken. Denk aan braam, bes, hazelaar, aardbeienbed en planten die je niet zo snel associeert met eten.

Dit boek moest weer terug naar de bibliotheek, maar nu overwegen we het serieus te kopen. Dus naast het vertrek van die 80 boekenbanden naar de nieuwe eigenaars, druppelt er soms een boekje binnen.

Vroege merel: Divina Commedia: Louteringsberg: Canto 13b

Zoals Nederlandse nieuwsberichten altijd vermelden of er onder de slachtoffers Nederlanders zijn, zo vraagt Dante of er misschien Italianen onder hen zijn. En zeker, ook onder de afgunstigen in deze ring van de Louteringsberg, zitten Italianen. Zo raakt hij in gesprek met de zondige vrouw Sapía.

Ze heeft haar hele leven meer plezier gehad in andermans leed dan in haar eigen geluk, zegt ze tegen de schrijver. Haar naam mag dan iets als ‘wijs’ betekenen, ze gedraagt zich het tegenovergestelde.

Ze zit hier omdat ze overmoedig God dankte nadat de vijand was verslagen bij een veldslag. Ze behoort tot de partij van de Welfen. Haar vreugde was groot, maar ook bijzonder afgunstig naar de anderen. De vergelijking die ze maakt, is prachtig:

Ze werden daar verslagen en gedwongen
tot smadelijke vlucht; en bij dit vluchten
genoot ik afls ik nooit nog had genoten.
Brutaal sloeg ik mijn ogen naar de hemel
en krijste: ‘God, nu vrees ik je niet langer’,
als een bij ‘eerste vleugje zon de merel.
Aan ’s levens einde wilde ik mij verzoenen
met God; en nog zou van mijn vele schulden
niets afbetaald zijn door mijn boetedoening (vs 118 – 126, Boeken)

Het was een beetje overmoedig, want in januari is het nog veel te koud om te gaan zingen voor een merel. Het laat zien dat zij te vroeg juichte, maar zich later met God verzoend heeft. Ondanks dat moet ze zich hier reinigen van haar afgunst, geholpen door de gebeden van de Pietro Pettinaio, een vrome Fransiscaan.

Daar biecht Dante tegen Sapia, dat hij zeker ook last heeft van zonden, maar niet zo zeer van de afgunst. Hij heeft veel meer last van de zonde uit de ring van de Louteringsberg waar hij net vandaan komt: de hoogmoed.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 13

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van H.J. Boeken uit 1907-1910. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Hunebed van Borger – Naar de hunebedden (3)

Het nagebouwde graf in het Hunebedcentrum is al best imposant. De stenen zijn helemaal verstopt in de aarde en het is een heus mausoleum van binnen. Zo krijg je een heel aardige indruk van de grafkelders die de hunebedden voor hun overledenen maakten. Het nagemaakte hunebed vormt het centrale punt van het hunebedcentrum. Je kunt helemaal staan in het graf en ziet hoe groot het eigenlijk is. Onze verre voorouders zullen er flink wat werk aan gehad hebben om het op te bouwen.

We neuzen verder. We zien bijvoorbeeld de film over de 2 jongens van 14 jaar die bij de hunebedden in 1983 graven terwijl de oude grafkelders werden afgedekt door betonnen platen. Het moest vandalen zoals deze jongens weren. De scherven die de vinder bewaart in een doosje van een modelbouwauto krijgen meer dan 25 jaar later extra betekenis.


Onderzoek wijst namelijk uit dat niet alleen de hunebedbouwers het graf hebben gebruikt, maar dat het in de bronstijd het hunebed is hergebruikt. Een vondst die nieuwe inzichten geeft in het onderzoek naar hunebedden en de bouwers van de hunebedden.

De eerste opgraving van het hunebed van Borger is door de dichteres Titia Brongersma in 1685. Ze schrijft er een lang gedicht over, vermeldt het bord bij het hunebed. Het gedicht draagt de naam ‘Loff op ’t HUNNE-BED’. De naam hunebed dankt het bouwwerk aan een predikant, dominee Picardt, die op de kansel suggereert dat deze enorme stenen alleen door reuzen, hunnen, kunnen zijn gebouwd.

Van de opgravingen die Titia Brongersma deed, zijn geen vondsten meer bewaard gebleven. Later zijn er eigenlijk niet zoveel opgravingen geweest bij D27, de code die hunebedonderzoeker Van Giffen aan het grootste hunebed van Nederland gaf.

Scans wijzen uit dat de grafheuvel onder de grond nog veel schatten verbergt. Het lijkt er zelfs op dat de oorspronkelijke kleivloer nog intact is. De vondst van de 2 jongens in 1983 laat zien dat er nog veel te vinden is. Maar voorlopig lijkt verder onderzoek nog niet in het verschiet te liggen.

Zo genieten we in het centrum vooral van de geschiedenis van dit ongeschreven deel van de Nederlandse geschiedenis. Het centrum besteedt nog aan allerlei andere facetten aandacht, zoals de wolf en de beer die in de Nederlandse wildernis leefden. Of wat dacht je van de vele soorten trechterkannen en andere gereedschappen van vuursteen en andere steensoorten.

Dit is het 3e deel van een serie. Lees morgen het 4e deel: Aanraking met verleden.

Hunebedcentrum – Naar de hunebedden (2)

Als je het terrein bij het Hunebedcentrum oploopt valt de enorme steentuin direct op. Deze tuin ligt vol met gevonden zwerfkeien uit Drenthe. En dat zijn er nog al wat. Bij de keien geven informatiebordjes informatie waar de betreffende stenen vandaan komen. Niet altijd precies definieerbaar, maar voor de grote brok Finse Helsinkiet dat er ligt, geldt dat wel. Dit unieke gesteente is op 1 plek in Skandinavië te vinden.

Aan de andere kant van het pad dat naar het hunebedcentrum voert, ligt het themapark met nagebouwde woningen uit de verschillende periodes. Zo maken we kennis met de hutten van de hunebedbouwers uit de late steentijd en van de trechterbekercultuur.

Dan het museum zelf. Mooi gebouw, veel ruimte. We krijgen bij de kassa een toelichting. Eerst is er een film, zonder tekst. Dan mogen we doorlopen naar de expositie. De film houdt het midden tussen kunstzinnig en walgelijk. Ik vind de muziek zenuwslopend, net als dat het verhaal wel heel traag op gang komt.

Een vlucht over een landschap vol gletsjers en smeltend ijs. De associatie met de radiocolumn van Hans Sibbel doemt op. De muziek van lange lage tonen, ritmes die ik niet kan definiëren en een verhaallijn die ik niet kan volgen, houden mij weg. Ik kijk met moeite, probeer de oogleden op elkaar geknepen te houden om maar niet teveel indrukken te hebben. Het is voor mij teveel.

Ik ben dan ook heel blij als ik met onze voorouders kennismaak als ik de filmzaal uitloop. Ik hou meer van dit soort beelden die ik rustig op mij kan laten inbeelden. De wassen beelden van de hunebedbewoners staan mij wat beter aan. Ze dragen dikke dierenvellen om zich heen. Norse gezichten en rauwe lijven onder de dikke vellen. Ze stralen het rauwe leven uit.

Dit is het 2e deel van een serie Naar de Hunebedden. Lees morgen het 3e deel: Hunebed van Borger.