Tante Truus

We hebben net te horen gekregen dat Doris een bril moet, daarom gaan we even lunchen bij Tante Truus. Ik voel mij hier gelijk thuis, voel mijn verleden met Evenbeeld weer opborrelen. Mensen met een verstandelijke beperking bedienen ons en maken voor ons het eten klaar.
Twee jongens staan bij onze tafel, of we iets willen bestellen. De jongen met de bril loopt weg en haalt een menukaart waarop we een aantal mogen schrijven. Ze gaan samen met hun rug tegen de bar hangen. Ik herken het gedrag van de meiden in het theehuis op Wielbergen. Ze zien het werk niet, maar doen het werk heel ijverig.
Als de brillenjongen de kaart komt ophalen, zegt hij streng: ‘Tafelnummer’. Hij wijst naar het lege vakje bovenin het stuk papier. ‘Sorry, dat heb ik niet gezien’, zegt Inge. ‘Geeft niks’, vergoelijkt hij de fout. ‘We zijn allemaal mensen van vlees en bloed.’
De jongen komt terug met het bestek. ‘Pas op voor dit mes’, zegt hij bezorgd. ‘Want het is scherp.’ Hij legt een zwaar accent op het laatste woord. Het klinkt bijna als een bedreiging.
De andere jongen is een stuk jovialer. Ik zie hoe hij langs de tafel van de buren loopt. Hij ziet een DAG-krantje liggen, houdt het omhoog en wijst naar de foto van Ingrid Betancourt. ‘Mooi hè, dat ze vrij is.’ De gasten glimlachen enthousiast en knikken terwijl ze ‘ja’ zeggen.

We eten druk van de volle borden voor ons en nemen een nip van de chocolademelk. Met een dienblad vol drankjes stopt de joviale jongen bij onze tafel. Hij vraagt wie wat heeft. We kijken verbaasd omhoog. ‘Ik denk dat dit niet voor ons is’, zegt Inge tegen hem. Hij schuift door naar de tafel naast ons. Zijn ogen fonkelen net zo enthousiast als net.
‘Geeft niks. We zijn allemaal mensen van vlees en bloed’, hoor ik de brillenjongen zeggen.

Geef een reactie