De huiler en de blazer

De straat miezert en de muren weerkaatsen een oranje licht, dat klotst in golfjes. Het geluid van de reuzenstofzuiger fiets ik tegemoet. Het kan niet anders, of mijn weg wordt afgezet door de veegmachine die de straat met ruwe borstels scrubt en verlost van vuil.

Tegen de richting in blaast een kereltje met een slurfapparaat op de rug in de richting van de borstels. Papier en een plastic bekertje verzetten zich door achter de onregelmatig liggende tegels te blijven hangen. Hoe kan een beetje afval tegenwerken. De blazer en de veger vechten een strijd wie het hardste kan huilen in de enige steeg van Almere. Alles bladert geleidelijk de mond van de grootste huiler binnen.

Achter het toneel loopt een winkelstraat langzaam vol, het is al laat deze morgen. Eigenlijk te laat. Dat krijg je van verslapen. Het geluid van de wekker had ik gedoofd en de slaap won het van het gezoem.

Ik sla rechtsaf in een poging de schoonmaakwoede achter mij te laten. Niets te passeren en geen gezeur aan mijn kop. Een vuilniswagen versperd mijn weg en de auto’s passeren het geval. Ik meen dat ik voorrang heb en rijd dapper tegen de stroom in. De auto’s proppen zich een weg tussen mij en de vuilniswagen in. Een vrachtauto lost gelijk erachter zijn vracht.

Of hij laadt een nieuwe. Daarvoor fiets ik te snel. Als ik dan eindelijk langs het pinautomaat fiets besef ik wat ik nog moest doen: pinnen. Ik stop, grabbel mijn portemonnee los en pin. De lunch is al verzekerd. Het is bijna negen uur. Aan het werk.

Geef een reactie