Categorie archief: gedicht van de week

Klarenbeek

Klarenbeek, voor mij is het niet veel meer dan een stationnetje midden in een weiland. Ik stond er op een dag in mei, ergens in 2000 stil in treintje dat van Apeldoorn naar Zutphen reed.

Ik zag vandaag Klarenbeek langskomen in een item van Man bijt hond. Nu geen station, maar een geitje dat op sterven lag. Het dier kon niet meer overeind komen en mekkerde heel triest. Ik dacht één ding bij het zien van het dier dat meer dood dan levend was: als het dier zwanger is en aan Q-koorts leidt, dan mogen de anderen gelijk mee naar het mortuarium.

En ik dacht aan het gedicht dat ik in 2000 schreef over mijn ervaring op het station van Klarenbeek. Ik zocht het even op en eigenlijk kan het best nog gepubliceerd worden. Het komt uit een tijd dat ik geïnspireerd op het voorbeeld van Gerrit Komrij een jaar eerder, wekelijks een gedicht schreef en de wrange vrucht naar een vijftigtal mensen per e-mail verstuurde. De inspiratiebron zat ook bij de lijst en hij merkte eens op dat het aardige niemendalletjes waren. Een groter compliment kun je niet krijgen.

Klarenbeek

Van Apeldoorn naar Zutphen, de stoptrein
Stopt bij de halte die Klarenbeek heet
Voordien had ik van dit plaatsje geen weet
Het perron provisorisch langs de lijn

Vanuit het groen komt onzichtbaar geblaat
Door de boomruis ruikt een barbequegril
Het kroos in de sloot ontsluit -ietwat stil-
Zo, dat ‘t moeder en haar kleintjes doorlaat.

Laat mij daar de lokroep van geluk horen
Het gebrom van de dieselmotor lijkt
Te verdampen om niet teveel te storen.

Mijn hoofd steek ik nog verder het raam uit
Overal waait geluk totdat het wijkt
Voor die hinderlijke conducteursfluit.

Leiden, 9 mei 2000

Er zijn mensen die vinden dat het ‘gedicht van de week’ moet terugkomen, maar na het lezen van dit gebeuren, vind ik het nog steeds een zeer goede beslissing dat ik er destijds mee gestopt ben.

Lichtgracht

De gouden bocht snijdt het zonlicht
dwars door midden en regent warmte

Achter mij is het een gaan en komen
van lelijkheid en schoonheid, dun en dik,
leed en lief, stiltezoekers en herriemakers

De fietsen stallen het uitzicht
maar de benen passen tussen
een achterwiel en een voorwiel

De gedachten ademenen uit
en zoeken of natuur iets voor
tevredenen of legen is
in deze eeuwen gestapelde stenen

Een vrouw naast mij en de andere
fietsen staart ook aandachtig
het water over en ziet hoe de zon
een herinnering opwarmt

Zend Heer Uw licht en waarheid neder,
fluit het benzinemotortje dat onder
ons door pruttelt en in goud verandert

Zaterdagmorgen

Het draaiorgel zingt
van Afrika tot in Amerika
de muziek trekt traag
de lege straat in

Een trommel danst na
op de maat en roffelt mij
Toets uw pincode in
raffelen de flappen

Een man steekt een prei
uit de tas naast
sla en een pak
hagelslag met chocolaatjes erin

De bakker heeft geen
Zweeds wit meer, de jongen
aait de tijgerbroden traag
door zijn handen

de machine in en snijdt
in reepjes boterhammen
Het knapje meisje staat
achter hem en drukt haar

heupen tegen hem langs
voor een klant naast mij
Ze streelt vijf Surinaamse
bolletjes voor een euro vijftig

De ochtend jengelt verder
van Amerika tot Afrika
over een leeg plein neuriet
een fluit zes broden op een fiets

Als ik de rust speel
klinkt hij in een wind
door een boom met alleen
takken zonder bladeren

Drie-eenheid

Ze liggen zo schattig
aaibaar knuffelbaar koopwaar
gestrengeld in een drie-eenheid
alsof klein zijn ze tot God verheft

De adem drukt het raam
vies en ligt er in een paar tientjes
zachte vacht dat op een baasje wacht
ze verkopen zichzelf zo lief
Maar in die schattigheid
schuilt een grote hond
die op straat poept een zachte
drol en die achter je holt bij het rennen
Geen aardige blik of liefkozing
schuilt in de ouderdom
binnen een jaar is alles weg
waar je nu zo voor valt

Vergeefs de avond in

De hondenbrokken waren op en moesten hals over kop worden opgehaald. Ik zag hoe de zon de middag in avond veranderde en wilde het vastleggen. Mijn mobieltje hielp mij daar niet genoeg bij en de dichtkunst liet me eveneens in de steek.
Vergeefs de avond in

Een gat licht tuurt door de wolkenberg
het vliegtuig vliegt recht het massief in
en schuilt in de grot van rode stralen

De wolk fladdert zich een berg
ver weg en ik zie de schilder donkere
vegen maken omdat hij zich vergist

Het is te vroeg voor avondrood
en een berg ademt zo zwaarmoedig
terwijl de middag in avond verandert

Mijn mobiel klikt vergeefs op de lege brug
en maakt het licht lichter en het donker duister
de belichting vertelt een ander verhaal

Dan het mijne terwijl de avond nu echt valt
en de schemer zegt de verkeerde woorden
voordat iemand anders dit kan zien

Niemand kijkt op de wolken in en maakt
er bergen van, of een schilder die veegt
en het tafereel zonde van zijn doek vindt

Nog voor ik thuis kom probeer ik de beelden
in woorden te vertalen, maar nog voor ik de
deur opendoe hoor ik de televisie schallen

En het ijs moet in de vriezer en ik moet iets
meenemen en niet vergeten
de wolken verdwijnen in de rook van thuis

Ik vergeet wat ik zag voordat een woord
mij vertelt wat het geweest is en ik zojuist
alleen het boodschappenlijstje weet

Vergeefs de avond in

Kredietsmurfen

Doris speelt met Duplo-stenen de smurfen na. Als ik haar hoor spelen met achtervolgingsscènes van Garamel die de smurfen probeert te vangen.

Help, help, kijk uit, Garamel
Rennen, hij pakt je
Bijna. Help, help, help

Help, help, kijk uit, zeepbel
Bukken en vlucht vooruit
Bijna. Help, help, help.

Daar komt hij, hij pakt je
zwijg nu want dan hoort
hij je niet en ben je op tijd

Kijk uit, voor je ligt de afgrond
O, doe toch niet, één stap
en je valt de diepte in

Omhoog, omhoog, voordat hij
je te pakken heeft, want hij
ziet je nu heel duidelijk

Help, help, kijk uit, de zeepbel
spat vlak voor Garamels neus
in de diepte van het ravijn

Verdwijn, verdwijn, krediet verdamp
voordat hij je te pakken heeft
en het grote graaien geld grabbelt

Help, help, ik zink weg
en jij ook naast mij
en waar zijn de anderen?

Toon mij krediet
Crisis toon mij krediet verdomme
Help, help, klauw grijp mij mis

Je bent een sprookje, toch
Ik vertrouw je niet en jij mij
niet dat moet toch?

Help, help, kijk uit, zeepbel
Verdwijn uit mijn beeld
voordat ik van de bank plof

Hollandse Brug

Rond het middaguur passeerde ik de Hollandse Brug. De scheen dapper en maakte het Gooimeer tot een gouden paradijs. Het langzaam rijdende verkeer om mij heen, zorgde ervoor dat ik tijd had voor een mijmering. Zelfs de overvliegende zwanen konden mee in mijn gedachten.

Hollandse Brug in september

De halzen rekken recht
en maken een potloodpunt
De vleugels bleken wit
de zon maakt zomer

Het verkeer trekt een winkelhaak
met de twee zwanen
Zij volgen wat wij kruisen
het blauw glinstert goud

De luidsprekers zeggen
de regel van een psalm
U alleen U loven wij
zing ik het orgel mee

Vooruit de muziek
achteruit het verkeer
in een stoet van rook
vlamt de file licht op

Zij zijn verder weg
het goud zuigt ze mee
als alles om mij bromt
en zoekt naar rust

Pepernoten

Elke heug zijn meug
Iedereen heeft wel
iets om over te zeuren

Pepernoten in september
in mei de paashaas
of een schrikkeldag in juni

Nee dan de drukte over niets
van dit alles en de dagen
die drukken op de lege maag

Voor de woorden die
hier spreken en de zuchten
over het hier en nu

Geef mij maar die leegte
van het zitten op de bank
en de droge kaakjes kraken

Van het wachten op de dag
dat alles omvalt en terugkijkt
van toen en toen was alles er nog

Buizerd

Zijn borst zwelt tot een slagschip
de zon wappert zijn veren droog
Zijn ogen turen smal de regen weg en
haviken snel zijn snavel vooruit

Het gras gemaaid krioelen muisjes
hun verloren nestjes uit
Zelfs de reiger loopt zijn stelten
het veld door en tuurt naar vluchtend eten

Als ik een vlieger ben en hoog mag
turen over veld en haard
Dan doe ik of ik niets zie
en verbleekt de hardloper in zijn geel

Korte dagen

Als de dag een groen papiertje was
en de regen voor viool speelde
dan neuriede de wind van herfst
en ademde de avond een koele bries

Maar de dag blijft hangen in een groef
gedachten en voorwendsels die de avond
vergeten en een grote leegte proberen
achter te laten in dit kille vers

Nu de dagen zeggen dat het licht op raakt
en de warmte zichzelf een das trakteert
vergeten de allerarmsten dat het eens
voorjaar was en genoeg brood