Categorie archief: hardlopen

Lopen en fietsen in boeken – #50books

image

Ik ben niet zo’n sporter. De combinatie van sport met een bewegingsloze activiteit als lezen is voor mij bijna onmogelijk. Een boek als de Renner van Tim Krabbé laat mij koud. Net als de Mont Ventoux van Bert Wagendorp waarmee lezers op dit moment wegrennen.

Geef mij maar de combinatie van het wandelen met de natuur. Zoals in het Natuurdagboek van Nescio. In dit boek maakt hij prachtige wandelingen tussen Amsterdam, Naarden, Hilversum, Breukelen en Vinkeveen. Ook pakt hij hier regelmatig de fiets. De activiteit van het wandelen of fietsen staat hier niet voorop. Meer de natuur die hij onderweg ziet.

Het staat gelijk met het peddelen dat Paul Theroux in zijn Gelukkige eilanden doet tussen de eilanden in de Stille Oceaan, het wandelen van Jan Blokker jr. op zijn voettocht naar Rome of het fietsen van Ilja Leonard Pfeiffer op zijn fietsrit naar Rome.

De laatste is niet-sportief en rijdt op een in de haast gekochte tweedehands racefiets. Sporten in de meest ultieme vorm: onvoorbereid en op een stukkende fiets. Het reisdoel is belangrijker dan de manier waarop hij er komt. Tegelijkertijd geniet ik van de ontberingen en de overwinningen.

Waterlandse bos

Ik loop door het bos waar ik 2 maanden geleden fietste. Naast elkaar, de laatste etappe op weg naar huis. De zon schijnt nu op een laag pitje. Wij reden in de zomerhitte. De zon brandde op mijn armen. Bij het bankje in het open veld stopten we om ons extra in te smeren tegen de felle zon.

Nu piepen de stralen bedeesd door de bomen. De bladerrijke kruinen van toen zijn nu kalend. De groene bladeren zijn veranderd in tinten geel, rood en bruin. Het licht valt alsof het even nagedacht heeft. De lichtstralen kun je bijna afzonderlijk waarnemen als je goed kijkt.

Ik haal een fietsend gezin in. Vader rijdt voorop. De zoon hangt vast aan de bagagedrager met een touw. Hij laat zich op zijn skeelers voorttrekken. Moeder rijdt erachter. Haar opgevallen jas wappert mee op de wind als de manen van een paard.

Ik ren er voorbij. Kom langs het bankje waar we 2 maanden terug stopten om ons nog even in te smeren tegen de warme zon. Nek, schouders en armen kregen een extra laag olie. De zoon maakt zich los van het touw. Met grote slagen hoor ik hem over het asfalt roetsjen.

De bochten door denk ik aan de rekensommen die ik haar gaf. Optellen boven de 20. En daarna aftrekken. Nu rekent ze in tafels. Hoeveel je leert in een paar maanden tijd. Ik ga de bocht om. Vader en moeder maken weer tempo. Moeder voorop, vader erachter. De zoon heeft zijn touw weer gepakt. Ze rijden mij voorbij.

Het bruggetje, het kasteel. Bijna thuis dacht ik toen. Trots dat we zo’n goed team vormden. Opgelucht dat het allemaal zo goed ging. Nu geniet ik van de zonnestralen. De kracht is verminderd. Een klein stukje van die zomer glimlacht naar mij. Achter de familie aan naar het Weerwater, naar huis.

Hardlopen met de honden

Hardlopen met de honden. Dat lijkt me geweldig. Ik probeerde het een paar maanden terug, maar het ging nog niet zoals ik wenste. Vrijdag deed ik het nog een keer. En het ging boven al mijn verwachtingen.

Ik rende door het park het rondje dat ik normaal met ze loop. Zelfs een eindje verder. Met ons liep wel een paar honderd meter een ander hondje mee. Het leidde ons niet af van de missie: samen hardlopen. De achtervolger hebben we gewoon van ons afgeschud met de Cesar-methode.

Vanmiddag wilde ik het weer een keer proberen. Weer de hardloopkleren aan en dan lekker hollen. Ik geef ze tussendoor een rustpauze om te snuffelen en eventuele behoeftes te doen. Teun heeft er superveel plezier in. Saartje loopt het begin heel enthousiast mee, maar krijgt het verderop wat zwaarder.

Daarom passen we ons tempo aan op de langzaamste. Ze vinden het allebei erg leuk. Vrijdag liepen we nog een kilometer of 3. Vandaag toch al wel 4. Zo bouwen we het langzaam maar zeker op.

Bij thuiskomst vielen de 2 teckels vrijwel meteen in slaap. Overigens verbaas ik mij erover hoe snel een hondenlijf zich herstelt van zo’n inspanning. Een klein uurtje later verstouwden ze heerlijk stuk kalkoenvleugel.

Meer dan verdiend. Dat zeker.

Bellenblazer

image

Ze stapte van haar fiets en ging op het bankje zitten. Iets wat ze altijd deed op zo’n middag als deze. Ze boog heimelijk naar haar fietstas. Achterin lag haar handtasje. Daar zat het verstopt. Het potje zeepsop.

Ze ging zitten blies de lucht voor zich uit en zag de bellen denkbeeldig uit haar getuite lippen vliegen. Eerst rechtte ze haar bril en tuurde het fietspad af in de richting van het tunneltje. In de verte liep een hardloper haar tegemoet. Hij kwam net het tunneltje uit. Ze schroefde het potje open en zag hoe bovenop het bellensop haar al begroette.

Ze gleed met het puntje van haar tong over de lippen, tuitte de lippen goed en schoof haar benen over elkaar. Het rokje sloot strak om haar bovenbenen. Elke vorm van inkijk was uitgesloten. Zoals haar benen tegen elkaar drukten, zo vatten haar duim, wijsvinger en middelvinger het stokje met de cirkel aan het einde. Daar ging hij in het sop vooronder.

Ze trok behendig het stokje uit de zee van bellen. Een straaltje sop droop naar beneden. Ze hield het stokje net iets voor haar benen. Zo voorover gebogen tuitte ze haar lippen nog meer en blies. Ze blies bellen. De bellen van goud kropen traag uit de ring. Ze blies ze groter. De eerste liet los. De tweede volgde.

Ze keek in de bellen, haar eigen gezicht vervormde. De bril leek groter. Net als haar voorhoofd. Het haar was verder  naar achteren. Terwijl ze het vanmorgen zo zorgvuldig gekamd had. Devoot zat ze erbij. Alsof elke bel een dierbare uitdrukte die er niet meer was. De tijd vloog met de bel. De wind nam haar mee.

De hardloper sjokte voorbij. Vermoeide ogen keken haar aan. Hij kon helemaal niet zo’n eind lopen. Ze keek hem niet aan, tuurde in de richting van het andere fietspad op deze kruising. Daar dreven haar bellen. Ze doopte het stokje in het potje.

De hardloper rende verder en nam haar verhaal mee zoals de bellen van haar dreven op de wind.

Regen

De regen stroomt naar beneden. Een douchekop zou jaloers zijn op de sterkte van de vochtstralen. Ik ren een rondje, meen dat de buienradar vertelde dat het even droog zou blijven. De regen is niet koud, maar trekt mijn shirtje naar beneden.

Een brommertje rijdt voorbij en gutst het water van het fietspad omhoog. Een emmer water wordt tegen mijn lijf gegooid. Mocht nog iets droog zijn gebleven, dan is het nu nat. De brommerrijder is ver genoeg uit zicht om te schelden. Terwijl hij waarschijnlijk gniffelt vanachter het glas van zijn helm.

Het stroomt verder en de rit nadert bijna zijn einde. Zelden ben ik zo natgeregend. Ik zie natte hardlopers mij tegemoet lopen. Zelf hobbel ik achter een meisje aan bij wie het water een stroompje vanaf de paardenstaart naar beneden vormt.

En het kan nog harder regenen. De stof om het lichaam kan niet meer water opzuigen. De spons zit vol. Het haar doorweekt. Alsof het niet meer zal ophouden. De fietspaden vormen plassen water waarbij je van eiland naar eiland springt. De regen valt in een douche naar beneden. Ik zie geen verschil meer tussen droog en nat.

Hollen op een bijna zomeravond

image

Het vooruitzicht van regen dwingt mij vanavond naar buiten voor een hardlooprondje. Heerlijk een rondje hollen op een bijna zomeravond. Het blijft lang licht en de lucht verkleurt fantastisch bij de zon die steeds verder zakt.

Als de zon zich al achter de bomen van de bosrand verstopt, krijgen de bladeren hun donkergroene kleur. De kleur die de bladeren straks aan het eind van de zomer hebben. De zon speelt met de boomkruinen van het bos aan de andere kant. De korenaren op de akker voor de bosrand wuiven zachtjes mee op de zonnestralen.

Dan hol ik langs het koolzaadveld. De zonneschijn van zojuist kleurt in dezelfde spikkeltjes tussen het groen. De bloemetjes zijn nog klein en kleuren het veld nog niet in de herkenbaar gele kleur. Ik hol verder en kijk nog even naar die prachtige lucht. Zo’n kleurenpracht dat de meest kunstige schilder dat niet kan evenaren.

De nieuwe jager: de vogelaar

De vogelaar is de nieuwe jager. Massaal trekken ze in het voorjaar de Lepelaarsplassen in. Gewapend met verrekijker en camera. De enorme toeter op de fotocamera wijst in de richting van het gevogelte. Ze dragen de toeters op hun schouder. Eraan bengelt een lang statief dat de camera op de gewenste hoogte moet brengen voor het schot.

Schieten gaat niet met kruit zoals de jager doet. Het schieten gaat met beeld. In een flits schiet de vogelaar het plaatje. Het plaatje dat hij thuis trots kan laten zien. Of dat hij uploadt voor zijn forumgenoten. De speciale vogel waar hij zijn leven lang naar op zoek is. Daar heeft hij veel voor over.

Vanmorgen bij het hardlopen zag ik ze: de vogelaars. Gewapend met camera trokken ze over het reepje land langs de Lepelaarsplassen. Op zoek naar die ene vreemde vogel. Ik zag een man langs de kant van de berm zitten. Op een klapstoeltje tuurde hij de verte in. Naast hem zat een peuter. Het kind reed met een autootje over de rand van het fietspad.

Of wat verder zag ik een man turen in een bossage. De lens van zijn camera rustte op zijn schouder. Hij keek het groen in, zijn oren achterna. Ineens verschoof hij. Iets fladderde op. Hij stond erbij en keek ernaar. Te laat om zijn camera in de gewenste stelling te brengen. Hij staarde de vogel na met dezelfde teleurstelling als de jager die zijn wapen niet in de aanslag had.

Follow the leader

imageEen caravaan fietsers klimt omhoog. De helling brengt ze ter hoogte van het station. Het fietspad loopt evenwijdig aan de spoordijk en klimt hier omhoog over het stationsplein. Een flinke klim, zeker voor een fietsgezin. Vader rijdt voorop, 2 kinderen volgen, een gat in de rij. Dan komt de puberdochter. Hekkensluiter is moeder. Haar fietstassen achterop markeren het einde van de rij.

Ik loop hard. Ze halen mij in. Traag omdat ze klimmen. Vader rijdt overtuigd vooruit. De zekerheid straalt van zijn rug. De 2 kinderen volgen gedwee. Als dochter de kruising voor de klim passeert, komt de muiterij. ‘Moeten we niet afslaan’, gilt ze naar haar vader die al 100 meter verder rijdt. Hij nadert het hoogstepunt van de klim. De rug antwoordt.

Moeder heeft geen zin in gezeur. ‘Rij maar gewoon door, achter hem aan. Hij weet het wel. Follow the leader.’ ‘Maar het is verkeerd’, zegt de dochter. ‘We moeten er hier af.’ ‘Nee’, zegt moeder stellig. ‘Je vergist je. En zo komen we er ook.’

Zo stijgen de hekkensluiters ook. Gedwee achter de leider aan.

Lenteloop

De zon nodigt uit voor een rondje langs de Lepelaarsplassen, het Wilgenbos en via het Hanny Schaftpark naar huis. Bij de Noorderplassen ontdek ik dat er een wedstrijd was. In mijn mailbox stond het een paar weken geleden al: de Lenteloop van atheliekvereniging Almere ’81.

Bij de Noorderplassen is het een klein stukje dat ik de route doorkruiste. Ik hol heerlijk in de richting van de natuur. Ik ren de dijk op bij het gemaal. Een auto keert op het fietspad, beneden haalt iemand net vogeltjes uit een net dat gespannen stond tussen 2 palen. Verderop is een markt. Boven het kraampje links vormen hoofdletters het woord ‘honing’. De potten ‘Van het een of ander’ staan opgestapeld onder het woord.

Voorbij het sportpark haak ik weer in de route van de Lenteloop. Langs mij rijden 2 rolfietsers met hoge snelheid. ‘Wil je water Jan?’ vraagt de ene fietser aan de andere. ‘Hoef jij dan niet?’ ‘Nee, ik heb water bij me.’ Ze vliegen laag over de grond met hun rolstoelfietsen. Jan laat zijn wiel even los om het bekertje te vangen. Water klotst over de randen heen op het fietspad.

Wat verder ren ik uit de route en kom er bij het beklimmen van de brug over de vaart weer in. Dit keer ren ik tegen het verkeer. Bezweet hollen ze mij tegemoet. Op het bordje staat ’8′. Ik zie het pas als ik het voorbij ben en mij omdraai.

Achter elkaar aan komen de renners mij voorbij. Soms haalt een achterligger zijn voorligger in, maar vooral blijven ze keurig achter elkaar. Gericht op het persoonlijke record. Als het moet halen ze iemand in. Alleen als het echt moet. Ik passeer bij het Hanny Schaftpark het volgende bordje. Er staat op: ’7′.

Ik herken de hollende massa. Een paar jaar terug rende ik alle lopen van Flevoland, ook de Lenteloop. Ik doe het niet meer. Ik ren mijn eigen wedstrijd. Het voorjaar brult en juicht de overwinning. Ik geniet van de eenzame training. Altijd de eerste plaats. De zon huldigt mij. Ik ben thuis.

Dode ree

Normaal zou ze wegrennen en nu bleef ze liggen. In het gras tegen het talud van de dijk lag een dode ree. Het was een vrouwtje, haar oog keek opengesperd naar de hemel. Het andere moest de grond aanstaren. Ze lag doodstil. Ik keek nog eens goed of ze echt dood was. De bolle buik verried dat ze zwanger was.

Een verkeersslachtoffer. Boven op de dijk raasde het verkeer. Bij mensen zouden hulpdiensten het lichaam al hebben opgeruimd. Hier lag het opzichtig dood te zijn. Het kon er nog niet lang liggen, daarvoor was het lichaam te weinig ontbonden.

Ik holde verder en liet de vergankelijkheid achter. Onnodig en met slechts enkele secondes had het lot beslist.