Categorie archief: literatuur

Computer als schrijver – #50books

image

Niet alleen updates, maar mijn computer tuft misschien ook wel romans uit.

Ik schrijf veel op de computer. Bijna alles komt direct vanuit mijn brein in de tekstverwerker van mijn computer terecht. Soms schrijf ik het eerst uit. Bij gedichten wil het wel helpen om eerst het gedicht op te schrijven en dan pas in de computer of op mijn smartphone te zetten. Het vormt een bescherming tussen schrijven en publiceren.

Een computer die alles schrijft, geloof ik niet. Een goed verhaal is meer dan een stelletje enen en nullen met elkaar combineren. Een goed verhaal vraagt om het brein van de schrijver. De creativiteit is niet te vatten in een programma. Daarvoor is de menselijke geest te grillig.

Misschien zouden computers verhalen voor computers kunnen schrijven. Als zij behoefte hebben aan verhalen. Voorzover mij bekend is vertellen dieren elkaar ook geen verhalen. Dus waarom computers dat onderling zouden moeten doen.

Wel geloof ik dat de computer de literatuur beïnvloedt. Harry Mulisch schreef De ontdekking van de hemel voor een groot gedeelte op de computer. Het verkorte zijn schrijftijd aanzienlijk. Volgens hem had het niet veel effect op zijn schrijverij. Behalve dat hij meer tijd overhield om andere verhalen te schrijven.

Ik denk dat Harry Mulisch dat effect schromelijk onderschat. Al schrijft hij in zijn inleiding bij Logboek dat de computer er niet voor gezorgd heeft dat zijn boek zo dik werd. Volgens hem is de denkrichting juist andersom. Het boek is niet zo dik geworden door de computer, maar hij is de tekstverwerker gaan gebruiken omdat het boek zo dik zou worden. Hij zou hierdoor eindeloos veel keren dezelfde passages moeten overtypen.

Ondanks de bewering van Harry Mulisch lijken boeken alleen maar dikker te worden. Veel romans monden uit in een dikke pil. Veroorzaakt door de tekstverwerker. Het schrijven op de computer is zo eenvoudig, dat het schrappen een bijna onmogelijke taak wordt. Schrijvers zijn zich onvoldoende bewust van de lengte van de tekst. Net als dat de computer een goed overzicht van het geschrevene ook lastiger maakt. Tekst verandert op een beeldscherm. De werking van tekst op de lezer verandert bij een beeldscherm eveneens.

Misschien bedoelde de jury van de Libris-literatuurprijs dat met Ikea-romans: romans opgezet als bouwpakket vol losse ideeën, waar de lezer dan maar een roman uit moet zien samen te stellen. Ik weet het niet. Daarvoor is dit onderwerp te ingewikkeld en moet je langer nadenken. Misschien is dat een leuke klus voor een computer nadat hij de roman heeft geschreven.

#50books
Deze blog is mijn reactie op vraag 23 van Petepels #50books: Kunnen computers fictie schrijven? Elke zondag lanceert Peter Pellenaars een vraag over boeken op zijn blog.

Woensdag gehaktdag – #50books

image

De 22e vraag van #50books. Ik loop genadeloos achter. Daarom sluit ik gewoon aan bij de vraag die vandaag gesteld wordt: In hoeverre heb je moeite met boeken waarin iemand vertelt over zijn eerder gepleegde overtredingen?

Boeken waarin iemand vertelt over zijn overtredingen interesseren mij niet zo. Als liefhebber van literatuur ben ik meer geïnteresseerd of een verhaal gebeurd had kunnen zijn dan dat het werkelijk gebeurd is. Het predicaat ‘waargebeurd’ vervult mij eerder met wantrouwen. Het mag dan waargebeurd zijn, maar wie zegt dat het zo gebeurd is? Je moet de schrijver maar op zijn blauwe ogen geloven dat het zo gebeurd zou kunnen zijn.

Maria Mosterd zou zijn misbruikt door een loverboy. Ze schreef er – met hulp – een boek over. Later bleek veel van de waarheid in Echte mannen eten geen kaas verzonnen te zijn. Misdaadjournalist Hendrik Jan Korterink schreef er zelfs een boek over wat er allemaal niet klopte aan het verhaal van Maria onder de titel: Echte mannen eten wel kaas. De rel die dat veroorzaakte zorgde voor een korte opleving van het boek Echte mannen eten geen kaas. Daarna las niemand het meer. Het waargebeurd dat het boek pretendeerde werd ingehaald door de wetenschap dat het verhaal verzonnen was.

Een ander boek dat heel veel interesse opwekte, was het boek Woensdag gehaktdag van de schrijver Richard Klinkhamer. Het vertelt over de lugubere moord op zijn vrouw. De schrijver werkte jarenlang aan het boek. Het manuscript werd vaak aangehaald in de rechtszaak. Daarmee werd de boektitel een titel een vaakgeciteerde titel. Zonder dat iemand het boek ooit gelezen had.

Vele jaren na de rechtszaak, verscheen het boek eindelijk. Ik sprak de uitgever in de tijd dat het uitkwam. Hij vertelde dat niemand het boek wilde uitgeven. Zij gaven de biografie van Klinkhamer uit en informeerden eens bij de schrijver naar het manuscript. Bestond het wel? Klinkhamer zei dat niemand belangstelling had om het uit te geven. De uitgeverijen verwachtten teveel gruwelijkheden. Een boek dat teveel gruwelijkheden bevat, verkoopt even slecht als een boek dat er te weinig bevat.

Ik heb het boek gelezen. Het was een mooi boek in zijn soort. Het vormt een lang relaas vol verontschuldigingen, spijt en verdriet. Het boek leest meer als een verslag van rouw dan van het verhaal van een moordenaar. Iets waarvoor Klinkhamer indertijd wel veroordeeld is. Daarmee viel eigenlijk de hele spanning weg die tijdens het proces was opgeroepen door het noemen van de spannende titel. De titel is het spannendste van het boek.

Nee, geef mij maar een boek als Misdaad en straf van Dostojevski. Het verhaal las ik een dag en nacht uit. Wat een boek. Het leest als een roes. Je voelt helemaal mee met de moordenaar en wordt meegesleurd in de emotie. Je geeft hem stiekem gelijk. Hij had het recht zijn hospita te vermoorden, denk je.

Dat is wat literatuur moet zijn: je kunnen voorstellen waarom de hoofdpersoon iets doet. Je kunnen inleven in zijn daden, alsof het jouw daden zijn. Daarna sluit je gelouterd het boek en voelt je net zo schuldig als de hoofdpersoon. Dat het dan niet echt gebeurd is, is misschien even geruststellend als dat je zo’n boek durft uit te lezen.

Lees mijn recensie over Woensdag gehaktdag op Litnet.co.za

Romantisch – #WOT

image

Pure romantiek, het landschap van Indonesie zoals Franz Wilhelm Junghuhn het beschreef en tekende.

Ik raak altijd een beetje in de zweem van ‘romantisch’. Mensen zien dan een tafel met twee stoelen, een kaarsje en een ober die de maaltijd voor de twee mensen op de stoelen serveert. Romantisch diner voor twee, heet dat.

Geen romanticus
Ik vind daar niet veel romantisch aan. Dat komt ook omdat ik niet zo’n romanticus ben. Ik kom niet thuis met een bosje rode rozen. Als ik op een mooie kikkerverzameling stuit, neem ik het mee voor haar en geef het. Dat doe ik weer.

Echt romantisch is de cultuurhistorische stroming, met imposante parken als het Vondelpark. De kronkelpaadjes en het op het oog ongeordende, dat haast symbool staat voor de verborgen hartstochten in de mens.

Als in een roman, betekent romantisch dan ook. De personages van een roman doen ook zo overdreven en excentriek. Later slaat het vooral op een bepaald soort romans, op liefdestaferelen en schattige paartjes in datzelfde romantische park. Het heeft weinig meer van doen met de romantiek.

Pure romantiek
Voor mij is de natuur pure romantiek. Bij het horen van Peter van Zonnevelds college over Junghuhn werd ik geraakt. Hier was een schrijver van mijn hart. Iemand die de natuur in al zijn hartstocht beschreef. Ongrijpbaar en bijna onmogelijk in woorden te vatten.

Daar wilde ik meer van weten en mijn studie stond vanaf die dag in 1998 in het teken van Franz Wilhelm Junghuhn. Ik kreeg een paar dagen later het artikel van Peter van Zonneveld mee waarin hij over Junghuhn schrijft. ‘Groots, woest of bekoorlijk? Het romantisch landschap en de Nederlandse literatuur (1750-1850)’

Extase
Veel wist ik al van zijn colleges maar de vergelijking die Van Zonneveld maakte tussen Alexander von Humboldt en Junghuhn, bracht mij in extase. Ik ging verder met die vergelijking en schreef een scriptie van 32 pagina’s. Veel te veel voor die 3 studiepunten, maar wat een feest om te doen.

En dat is nog altijd het toppunt van Romantiek: de natuurbeschrijvingen van Junghuhn. Het heeft mij nooit meer losgelaten. Ik studeerde op Junghuhns Terugreis af en werd zelfs genomineerd voor de scriptieprijs. Nog altijd grijp ik een paar keer per jaar naar zijn werk. Dan lees ik weer die ontroerende passages en voel mee met de natuur die Junghuhn presenteert in zijn werk.

Kippenvel – #50books

image

Bij muziek heb ik het weleens dat ik het kippenvel over mijn rug krijg. Een bepaalde passage bij Julius Reubkes Orgelsonate bijvoorbeeld of ergens bij het tweede koraal van Cesar Franck. Net als het moment dat het thema van Ten Holts Canto Ostinato voor de tweede keer terugkomt.

Een enkel gedicht wil weleens een enkele rughaar overeind trekken. Maar bij een roman lukt het nooit. Boeken lenen zich niet voor zo’n ontluisterend moment. Het verhaal vraagt daarvoor teveel lange adem en raakt je op een andere manier. Ik heb het tot nog toe een keer meegemaakt dat bij het lezen van een roman het kippenvel op mijn rug kwam.

Ergens schaam ik mij ervoor omdat het gebeurde bij een schrijver van wie ik het nooit zou verwachten. Ik volgde de eenjarige Havo en liet mij helemaal vollopen met literatuur. Ik las Harry Mulisch’ roman Het stenen bruidsbed. Het verhaal van de Amerikaanse piloot Norman Corinth die in de Tweede Wereldoorlog meehelpt bij het bombarderen van de Duitse stad Dresden.

Het bombardement dat de geschiedenis is ingegaan als het zinloze bombardement. Maar dat de geallieerden zouden hebben gedaan om de laatste genadeslag te geven aan het moraal van de Duitse bevolking. De winter en de honger deden de rest.

In het boek gaat Norman Corinth naar een tandartsencongres in Dresden. Daar komt hij zijn Duitse collega Hella tegen. Zoals vaker gebeurt op congressen, gaat hij met haar naar bed. De veroveraar. De hoofdstukken die spelen ten tijde van het congres worden in Het stenen bruidbed afgewisseld met ‘zangen’. In deze zangen komt een terugblik op het bombardement van Dresden.

Deze zangen zijn bezien vanuit Norman Corinth al vliegend in de Amerikaanse bommenwerper. De tweede zang verhaalt over de terugkerende bommenwerpers die na de tweede bommenregen nog over de Elbe vliegen om de mensen te zien in de rivier.

Dan hoort Corinth het verhaal van een vrouw die het bombardement heeft meegemaakt. Ze was in de Elbe gesprongen was om de verzengde hitte van de brandende stad te doorstaan. Ze droeg haar kind in haar armen.

‘Ze maakte het kind nat en nam het over haar schouder en ging toen ook zo ver mogelijk in het water staan, en toen kwam het vliegtuig. Op misschien tien meter hoogte en het kwam met het gillen van de mensen. De kanonnen schoten, maar als u het mij vraagt, begreep ze het niet meer. Ze dacht dat iets in haar been beet en het kind ontglipte haar en ze voelde om zich heen door het water, maar ze kon het niet meer vinden…’ (87)

De piloot Norman Corinth ziet haar in het water en vergeet haar blik nooit meer. Bij het lezen van die passage, voelde ik het kippenvel op mijn rug. Wat verschrikkelijk. Misschien was het meer kippenvel van de gruwelijkheid dan van de schoonheid. Maar dat is ook literatuur. Ik ben het nooit meer vergeten.

De schim van Colijn

image

Als Jan Wolkers de schrijver Godfried Bomans aflost op het eiland Rottumerplaat, krijgt de radioluisteraar een heel ander soort beleving van het eiland in de Waddenzee. Is het bij Bomans nog de overpeinzing over de eenzaamheid, Jan Wolkers heeft geen moment om zich eenzaam te voelen. Hij rent, holt en vliegt over het eiland. Bang iets te missen en misschien ook wel bang om zich eenzaam te voelen.

Op de luistercd Alleen op een eiland vertelt Jan Wolkers over de dode zeehondenmoeder die hij op het stand vond. Hij is net een dag op het eiland als hij de zeehond dood op het strand ziet liggen. Hij vindt het zijn taak om het dier open te snijden. Hij vermoedt dat er een baby in haar buik zat. Als hij het dier opensnijdt, vindt hij de dode babyzeehond. Het is een stukje ontroerende radio die je hoort.

Als Jan Wolkers de maten van de twee zeehonden heeft opgegeven vraagt Willem Ruis naar de oorzaak van de dood van de zeehond. ‘Was het koninklijke olie?’ vraagt de radiopresentator op dinsdag 20 juli 1971. Jan Wolkers weet het niet. Jan Wolkers staat midden in het leven en denkt vaak aan zijn familie. Attent feliciteert hij zijn moeder en zijn vriend Jan Vermeulen als ze jarig zijn. Dat doet hij normaal ook, waarom zou hij er op het eiland niet aan denken?

Willem Ruis begrijpt het niet, na een week lang morele ondersteuning van Godfried Bomans, lijkt Jan Wolkers zich totaal niet eenzaam te voelen. Willem Ruis vraagt het maar eens op dinsdag 20 juli aan Jan Wolkers: ‘Kun je je niet losmaken van het andere gebeuren of wil je dat niet, word je dan misschien eenzaam.’

Het antwoord dat hij krijgt is prachtig: ‘Neem, dat zou onnatuurlijk afsnijden zijn van bepaalde dingen. Dat kan niet anders. Je blijft verbonden met de vaste wal met allerlei dingen. Je hoopt dat als je van het eiland afkomt dat het rechtse kabinet Biesheuvel gevallen is. Je kan je niet losmaken van dat soort dingen. Je ziet dat stelletje bewindhebbers voor je met die geconfijte krokodillenkoppen en dan denk je daar worden we de eerste vier jaar weer door geregeerd. En dan zie ik daar de schim van Colijn, stinkend van de olie van de Bataafse petroleummaatschappij, rammelend met belastingplaatjes, achterop duiken. En ik weet zeker dat ze de mensen weer als ze enigszins de kans krijgen tot het belastingplaatje en de acht gulden steun in de week en de rijen werkelozen zullen brengen.’

‘Het is een directe uitzending allemaal, he’, reageert Willem Ruis. Hij kan zijn ergernis over de politiek midden in de zendtijd van de Avro niet echt verbergen. In het gesprek na de uitzending, gaat Willem Ruis tekeer tegen de schrijver. Willem Ruis vindt het heus een mooie uitzending. ‘Alleen de politiek Jan. We zijn in een Avro Vara uitzending bezig. Ik vind het zelf erg fijn om te horen natuurlijk. Maar het moet een beetje gematigd. Want het was nu ook in Avro zendtijd.’ Zo loopt de samenwerking tussen de VARA en de Avro gevaar.

Jan Wolkers antwoordt dat hij daar gewoon niet aan denkt. Hij beantwoordt de vraag wat hem bezighoudt. En op het eiland moet hij hieraan denken. In de volgende uitzendingen wijst Willem Ruis hem op de politiek. ‘Geen politiek, Jan’. Vanaf dan stelt Jan zich gematigder op in de radio-interviews. Hij doet in elk geval zijn best.

Het zou zo gebeurd kunnen zijn? – #50books

image

Schrijven bevat iemands gedachten, fantasieen, hersenkronkels en perversiteiten. In de diepste gedachten van de schrijver huizen de moordenaar, de kinderverkrachter maar ook het meisje dat verkracht is en de laatste gedachten van de vermoorde. Daarmee komt willekeurig de vraag op of iemand de dingen die hij opschrijft ook werkelijk beleefd heeft.

Ik denk van wel. Harry Mulisch schrijft in zijn Logboek dat de dingen die hij opschrijft zich herinnert. Hij herinnert zich de dingen die nooit gebeurd zijn en dat maakt zijn verhaal. Een verhaal heeft voor lezers een andere waarde wanneer het echt gebeurd is. Niet de vraag of het gebeurd zou kunnen zijn speelt, maar de vraag of het echt zo gebeurd is. Literatuur is een verhaal dat gebeurd kan zijn, niet een verhaal dat gebeurd is.

De waarheid in het verhaal
Sommige literatuurwetenschappers hebben de neiging om op zoek te gaan naar de waarheid in het verhaal of wat de auteur ermee bedoeld zou kunnen hebben. De auto in het verhaal van Van Dis is groen, maar in het echt was het een gele. De man met de hoed en de Amerikaanse vrouw in de roman van Ronald Giphart dat ben ik. En ga zo maar door.

Het zoeken naar de intentie van de auteur is net zo zinloos als het zoeken naar de werkelijkheid van het verhaal. In de literauurwetenschap duiden ze dit verschijnsel ook wel aan als ‘intentional fallacy‘, Een verhaal is een weergave van de werkelijkheid en kan helemaal ontsproten zijn uit de fantasie van de schrijver.

Niet interessant
Wat de schrijver met zijn verhaal bedoelt is niet zo interessant. Veel interessanter is de vraag wat het verhaal met jou doet. Waarom vind je een verhaal zo goed of waarom is het slecht? Deze vraag is veel makkelijker, beter en eerlijker te beantwoorden dan de vraag wat hij ermee bedoeld kan hebben. Dat laatste is namelijk altijd giswerk.

Wel ben ik altijd geinteresseerd hoe zo’n literair meesterwerk tot stand komt. Zo’n Logboek van Harry Mulisch bij het schrijven van zijn Ontdekking van de hemel vind ik heerlijk om te lezen. Hoe hij worstelt met het verloop van het verhaal. Hij hij zijn eigen gebeurtenissen integreert in het verhaal. Zo geeft Harry Mulisch de persoon Onno Quist een hersenbloeding. Iets dat Harry Mulisch zelf een paar maanden eerder meemaakt. Hij doet het bijna gevoelloos af met ‘Heb Onno mijn hersenbloeding gegeven’.

Radiofragmenten
Ook kan ik mij bovenmatig interesseren voor een verhaal als dat de schrijvers Godfried Bomans en Jan Wolkers op Rottumerplaat. Daar ben ik de laatste dagen erg mee bezig. Aan de hand van de radiofragmenten construeer ik een heel eigen werkelijkheid. Dat enerzijds een vollediger beeld oproept, maar ik weet ook dat de betrokkenen het zelf anders beleefd hebben.

Zo blijft iets als auteursintentie en het spel met de werkelijkheid een interessant vraagstuk, maar het moet allemaal bekeken worden met jezelf als referentie. Jij leest het verhaal en jij doet er zelf iets mee. Als jij de schrijver als persoon daar graag in terugleest, dan ligt dat bij jou. Of hij het zo bedoeld heeft, ligt bij hem.

Facebook fenomeen
Overigens denk ik dat met de komst van internet en social media een heel ander fenomeen de kop op steekt. Schrijvers krijgen veel meer reactie en interactie met hun werk. Het gebeurt nog weinig dat lezers deelgenoot worden van het proces van schrijven, maar ze reageren meer en meer via kanalen als facebook en twitter. Enerzijds loven ze een werk, maar anderzijds kunnen ze het ook de grond inboren. Of zoals laatst een poezie-deskundige deed bij mijn gedicht. Hij noemde het geen poezie, maar gedachten met enters ertussen.

Zo maakt ieder zijn eigen werkelijkheid en misschien ook wel literatuur.

Van den vos Reynaerde – #50books

image

Een interessante vraag bij #50books deze week: welk dierenboek is je altijd bijgebleven?

Ik hield vroeger niet van dierenboeken. Een verhaal met pratende dieren vond ik uiterst merkwaardig. Dat paste ook bij mijn opvoeding. In de bijbel praten niet zoveel dieren. Bij mij weten zijn het er twee: de slang in het paradijs en de ezel van Bileam. De bijbel is meer het domein van de engelen en demonen, dan van de sprekende dieren.

Of het daardoor komt, weet ik niet, maar ik had het niet zo op dierenverhalen. Zodra een beest op zijn achterpoten ging staan en de stem verhief in een boek, haakte ik af. Het kon niet. De dieren in de bijbel waren allemaal op 1 of andere manier vervult van een andere, bovenmenselijke geest en daarom spraken ze. Dieren die praten waren daardoor zeldzaam. Eigenlijk bestonden ze niet voor mij.

Pas veel later ontdekte ik de schoonheid van het mooiste dierenverhaal van de Nederlandse literatuur en ook van de wereldliteratuur: Van den Vos Reynaerde. Het prachtige verhaal over de Reinaart de Vos die ik vroeger met argusogen bekeken had. Het verhaal is geschreven door ‘Willem die Madocke maecte’.

Het werk vertelt over de vos Reynaerde en is eigenlijk een aanklacht tegen de vos. Alle dieren klagen over zijn wandaden en vinden dat hij gestraft moet worden. De verteller heeft een mooi dier uitgekozen. De vos wordt nog altijd gewantrouwd.

Bij mijn studie Nederlands maakte ik grondiger kennis met dit verhaal. Vooral omdat het zo’n mooi beeld schetst van de Middeleeuwse samenleving. Door de dieren heeft de verteller betere mogelijkheden de maatschappij op de hak te nemen. De aanklacht bijvoorbeeld dat hij Cuwaert de haas het Credo leerde zingen ‘Ende soudene maken capelaen’. Een zin waarover ik al eerder schreef.

De wandaden die op het conto van Reynaert de vos worden toegeschreven, behoren eigenlijk veel meer mensen toe. Hij is de zondebok. Omdat het een dier is, blijft een concrete aanklacht achterwege. Maar iedereen weet waar het over gaat. Dat maakt het tot zo’n prachtig verhaal. Zelfs meer dan 700 jaar later.

Boekenweekgeschenken – #50books

image

Boekenweekgeschenken vanaf 1995

Bij het schrijven over de boekenweek voor #50books heb ik al de boekenweekgeschenken vanaf mijn eerste uit de kast gehaald. Wat weet ik mij er nog van te herinneren. Het begint al bij de eerste, Serenade van Leon de Winter. Geen idee waar het verhaal over gaat. De heilige Antonio van Arnon Grunberg ben ik ook vergeten. Behalve de herinnering dat het een heel absurd boekje was. Na het lezen van die novelle ging ik de rest lezen van Grunbergs oeuvre. Ik ben hem sindsdien blijven volgen.

De meeste boekenweekgeschenken kan ik nauwelijks navertellen. Hoe komt het toch dat het schrijvers maar niet lukt om een mooi boekenweekgeschenk te schrijven? De kraai van Kader Abdolah was een verschrikking om te lezen. Het boekje van Tom Lanoye vorig jaar was best aardig geschreven, maar het verhaal bleef dor en en doods. Personages zijn letters op papier en het verhaal brabbelt maar wat zonder echt iets te vertellen.

Gelukkig zijn er ook goede herinneringen aan boekenweekgeschenken. De geschenken van Harry Mulisch, Jan Wolkers en Arthur Japin. Boeken die mij een avond vasthielden en heerlijk waren om te lezen. Ze gaven niet de impressie van een oeuvre, maar vertelden gewoon een verhaal. Het is dan ook het verhaal dat ik herinner en niet de schrijver.

Vrijwel nooit laat het geschenk het mooiste zien van een schrijver. Het lijkt te gekunsteld. Schrijvers hebben er niet de tijd en aandacht voor om het tot een meesterwerk te maken. Graag had ik Hotz gegund zijn novelle De voetnoot als boekenweekgeschenk uit te geven. Dit verhaal behoort tot een van de mooiste novelles uit de Nederlandse literatuur. Dat zou je een veel breder leespubliek gunnen dan het nu heeft.

Gelukkig zijn er gevallen bekend waarbij wel een mooi boekenweekgeschenk werd geschreven. Het lukte bijvoorbeeld F. Springer heel goed een mooi verhaal te vertellen met Sterremeer. Een mooi verhaal dat veel elementen uit zijn oeuvre bevat, maar nergens geforceerd overkomt. Hier heb je niet in de gaten dat het verhaal in een paar maanden tijd geschreven is. Het vermoeden rijst dat de schrijver er al voor de opdracht mee bezig was. Het boekje nodigt zeker uit meer van hem te lezen.

Het zou het boekenweekgeschenk weer terug moeten brengen naar de oorsprong: een schrijfwedstrijd waarbij de prijswinnaar uitgegeven wordt. Onbekende talenten krijgen dan een kans hun verhaal te vertellen. Gevestigde schrijvers onderschatten en overschatten namelijk het geschenk. Ze vinden het een eer het te mogen schrijven. Vervolgens worstelen ze een paar maanden om het te schrijven. Het levert zelden iets moois op.

Het ligt misschien ook wel aan de organisatoren van de boekenweek zelf. Een geschenk moet een groot publiek aanspreken en mag mensen niet tegen het zere hoofd stoten. Zo schreef Gerard Reve in 1981 een adembenemende thriller De vierde man. Het liet zien dat hij een schrijver van formaat was. Het boekje neemt een unieke plaats in zijn oeuvre in. Een verhaal van een volksschrijver. De organisatie weigerde het vanwege te expliciete scenes. In 1995 weigerden veel christelijke scholen het boekje Serenade van Leon de Winter uit te geven. Ze vonden de liefdesscenes te heftig voor de ogen van hun scholieren.

Het mooiste boekenweekgeschenk blijft Oeroeg van Hella Haasse. De schrijfster won de schrijfwedstrijd en debuteerde met de novelle. Het is een meesterstuk geworden van de Nederlandse literatuur. Ik vraag mij af of Hella Haasse wel ontdekt was zonder dit prachtige debuut. Ze stond wel meteen op de literaire kaart. En nog voor Harry Mulisch, Gerard Reve of Willem Frederik Hermans waren gedebuteerd.

En toch ben ik elk jaar weer nieuwsgierig als in de weken na de boekenweek de schrijver van volgend jaar wordt bekendgemaakt. Vorig jaar gontste op facebook de naam Gerrit Komrij. Het moest er nu toch echt eens van komen. De appel viel niet ver van de boom. Komrij’s goede vriend Kees van Kooten kreeg de eer. En Kees van Kooten was al veel gevraagd, maar wist hem elke keer af te wimpelen. Na het opruimen van zijn bureaula was het hem duidelijk: De verrekijker was geboren.

Mijn eerste boekenweek – #50books

image

Mijn eerste boekenweek: het geschenk van Leon de Winter en het essay van Jan Wolkers

Ik kreeg literatuurles van Margo. Ik ben haar achternaam vergeten. Ik was verliefd op lezen en ook een beetje op haar. Haar bevlogenheid en meisjesachtige uitstraling. Ook al was ze de zestig gepasseerd.

De eerste kennismaking met de boekenweek was in 1995. Daarvoor is het begrip met het bijbehorende boekenbal altijd langs mij heengegaan. In 1995 – ik had mijn eerste roman geschreven in het jaar ervoor – en was van de MTS naar de eenjarige Havo gegaan. Versneld schoot ik in een jaar door 4 en 5 Havo. Margo loodste ons er doorheen.

Er was ophef over het geschenk van dat jaar, geschreven door Leon de Winter. Het droeg de naam Serenade. De lay-out van het boekje als een muziekboek uitgegeven door Edition Peeters. Als een groengele uitgave van Bachs orgelwerken. Het kaft was net iets te geel, maar de sierlijke letters kwamen aardig overeen.

Het boekje werd in die tijd gratis verstrekt op middelbare scholen. Volgens sommige christelijke scholen zou het verhaal van Leon de Winter teveel expliciete seksscenes bevatten. De docenten Nederlands ontdekten het pas toen de dozen opengingen en weigerden hun leerlingen bloot te stellen aan deze verderfelijke literatuur.

Omdat mijn school onder volwassenen educatie viel, kregen wij geen geschenk. Maar Margo wist een doosje te ritselen van een collega. Ik zie nog de grote stapel boekjes in de doos liggen. De spanning en het moment dat dat boekje op je bureau kwam te liggen.

Het was het tweede boekje. Ik was daags ervoor al naar de literaire boekhandel ‘Het paard van Troje’ gegaan. En kocht er een stapel boeken van Leon de Winter. Gekocht van mijn krantengeld. De verzamelde verhalen, Kaplan, Supertex en De ruimte van Sokolov. Ik kocht er het boekenweekessay Zwarte bevrijding van Jan Wolkers bij. ‘Wat bijzonder dat je allemaal boeken van Leon de Winter erbij koopt’, zei de verkoper nog toen hij het plastic tasje inpakte.

Daarna de recensies lezen. Het spectakel van de boekenweek drong nu pas tot mij door. Vanaf dat jaar heb ik nooit meer een boekenweek overgeslagen. Elke woensdag stond ik als eerste in de boekwinkel om het boekenweekgeschenk te bemachtigen. Later moest ik een exemplaar in huis hebben voor de bespreking van de boekenweek op het Zuid-Afrikaanse Litnet. Al had ik eens een presentie-exemplaar proberen te bemachtigen vooraf. Ik kreeg van het CPNB alleen te horen dat propraganda van het Nederlandse boek in het buitenland niet de core-business was de stichting.

Van het boekenweekgeschenk van Leon de Winter weet ik niks meer. Ik kan van de inhoud niks uit mijn hoofd lepelen. Wel van het boekenweekessay. Het was natuurlijk vijftig jaar na de bevrijding. De bevrijding moest wel als thema. Als de trompet de Last Post blaast aan het begin van de dodenherdenking, moet ik altijd aan het essay van Jan Wolkers denken.

‘En iedere keer had ik de neiging om met de tranen over de wangen te roepen, zoals Oliver Hardy in Saps at Sea, ‘Blow the horn, Stan! Blow the horn!’ (Zwarte Bevrijding, p. 22)

Vooral ook omdat het aan het einde weer terug komt:

‘Wat ik zelf ga doen aan de vooravond van die vijftig jaar bevrijding. Als ik in de buurt van Amsterdam mocht zijn, zal ik zeker tussen de mensen staan die in de bocht van de Amstel, bij de fusilladeplaats Rozenoord, de doden herdenken en luisteren naar de Last Post die daar zo zuiver wordt geblazen over het water van de rivier. En ik zal weer denken. ‘Blow the horn, Stan! Blow the horn!’ (p. 56)

Het was het eerste wat ik van Jan Wolkers las. Zo drong de literatuur meer en meer in mij. Ik las het nog met rode oortjes. De oortjes zijn nu misschien nog rood van schaamte. De laatste jaren lukt het mij steeds minder goed om het geschenk door te komen. Het lijkt niet meer de aandacht en liefde van weleer te hebben. Of dat nu bij de schrijvers ligt of bij mij als lezer, kan ik moeilijk achterhalen. De kraai viel mij heel erg tegen. Het geschenk van Tom Lanoye kan ik nauwelijks navertellen, iets met een Russische straaljager die neerstort.

Eddie

image

Het schrijven van De ontdekking van de hemel op de computer was niet geheel zonder gevaar. In Logboek schrijft Harry Mulisch over de komst van de geheimzinnige Eddie:

‘[W]eer thuis aan de computer, die opeens iets heel vreemds voortbracht. Ik riep H51 op, ‘De woordenwereld’, waar een zin plotseling zonder spatie overging in de woorden: ‘Eddie lives… somewhere in time’- gevolgd door codetekens, die ik niet heb genoteerd, maar het was iets als #^P^P. Recursie? Ooit per ongeluk op de Ctrl-P gedrukt? De cursor sprong steeds terug naar het begin. Dat is te begrijpen. Maar ik ben absoluut honderd procent zeker, dat ik die worden nooit heb geschreven.’ (114/115)

Hij vraagt zich af wie Eddie is: ‘Hoornik? Onno’s raaf Edgar?’ Vervolgens gebruikt hij de ‘normale’ kopie op de floppy. Harry Mulisch geeft het maar op om deze raadselachtige gebeurtenissen op zijn computer te willen begrijpen. Hij ziet het maar als een gunstig teken van de hogere machten.

Een kleine maand later doemt Eddie weer op. In een ander hoofdstuk. Harry Mulisch probeert de tekst te printen, maar zijn apparaat tuft enkel rare tekens op. Gelukkig helpt zijn vriendin hem aan een computerdeskundige. Het is een virus. ‘Ik loop dus de kans, dat Eddie de hele roman opvreet.’

Als Eddie meer en meer binnendringt in het computer-manuscript van De ontdekking van de hemel, belt Harry Mulisch de computerdeskundige:

‘De deskundige gebeld, die zei dat hij woensdag kwam met een virusscanner. ‘Jullie komen dus met zijn tweeen? vroeg ik. ‘Nee, alleen,’ zei hij. Ik: ‘Mar je zegt toch, dat je met een viruskenner komt.’ Hij: ‘Dat is ook zo.’ Pas na enige tijd bleek het misverstand. Ook buiten de computer begint Eddie al verwarring te zaaien.’ (124)

Eddie heet Dark Avenger en wordt deskundig verwijderd. Als een paar dagen later Eddie, ‘de Duistere Wreker’ nog steeds opdoemt, begint Harry Mulisch zich zorgen te maken. Maar het blijkt volgens de deskundige om ‘littekens’ te gaaan. Zo is de magnum opus van Mulisch gered van de ondergang.