Categorie archief: ziekenhuis

In het ziekenhuis

Het Flevoziekenhuis in Almere

Ik houd niet van ziekenhuizen. De witte jassen, de steriele stilte, het kuchen van mensen en strompelen van zieken door de gangen. Het wordt me allemaal snel teveel. Zeker als ik mee mag op mijn eigen verjaardag om mijn lief te begeleiden bij de controle van haar arm.

Een volle wachtkamer, dat is een slecht teken. Ik zie de stoelen ruim bezet terwijl de schoolvakantie nog in volle gang is. Mensen zitten bij elkaar en zorgen dat er een vrije stoel tussen staat. Ze lezen in een tijdschriftje of krantje. Maar eigenlijk lezen ze niet. Ze turen net als ik voortdurend om zich heen.

De receptioniste waarschuwt ons al. ‘De dokter loopt wel een beetje uit.’ Ze zegt het voorzichtig, maar de slechte boodschap moet nog komen. ‘Een halfuur tot drie kwartier’, probeert ze er nog eufemistisch te zeggen. Het is weinig verzachtend, eerder verhullend. ‘Dat wordt dus een uur’, mompel ik net zo zacht dat ze het net niet kan verstaan. Ze kijkt me indringend aan. We weten allebei dat ik gelijk heb. Een arts die eenmaal uitgelopen is, loopt het zelden meer in. Sterker nog: het loopt alleen nog maar verder uit.

We komen wonderwel te zitten in de wachtkamer tegenover de dame die naast mijn vrouw op de zaal lag bij de operatie. Ze zit er heel wat minder vrolijk bij dan net na de operatie. Terwijl Inge geen zin kon afmaken van de narcose, was zij de vrolijkheid zelve. Nu, vertelt ze, houden de klachten aan. ‘Het is hetzelfde liedje. Mijn andere been begint nu op te spelen’, verzucht ze erna.

Zij is om 10 over 11 aan de beurt. Wij om half 12. De klok tikt traag weg. Ik zie de receptioniste heen en weer lopen. Mensen helpen en anderen doorverwijzen naar de balie naast haar. De uitstroom verloopt even langzaam als dat de klok tikt. Er komen eerder mensen bij dan dat er mensen afvallen.

Het boek dat ik meegenomen heb, ligt onaangeroerd op mijn schoot. Ik probeer het verhaal weer op te pakken, maar het lukt niet. Ik ben aan het eind van de alinea kwijt waar het begin over ging. De geluiden om mij heen, de geur van het ziekenhuis. Het leidt teveel af om mij te richten op het lezen van een goed verhaal.

Ze zijn aan het vissen en de hoofdpersoon van het verhaal vangt een zalm. Hij heeft niet veel ervaring met vissen. ‘In paniek sleurde hij aan de hengel en begon hem in te halen, terwijl hij de lijn wild door het wateroppervlak zag snijden. De hengel trok krom als een zeis. Hij haalde zo snel in als hij kon, instinctief bang dat het leven aan het andere eind van de lijn hem zou ontsnappen.’

Ik kijk weer op. De anderen zitten met een kopje thee en chocomel voor zich. Ik hoef het niet. Dan ineens gaat de tijd snel. Al is het kwart over twaalf. We mogen mee. Schieten in de jassen en hollen achter de assistente aan. Geen tijd verliezen. De dokter heeft al uitloop genoeg.

We krijgen een plaatsje in een bedompt kamertje. ‘Waarom zitten hier geen ramen?’ vraagt Doris. Het is er warm, constateert de assistente. ‘Weet u wat. Ik laat de deur wel een eindje open.’ We gaan zitten aan het bureau. 2 grote computerschermen staren ons aan. Op het linker staat de rij patiënten van de dokter. Hij heeft inderdaad uitloop. Het gele balkje staat nog bij de patiënt van 10.40 uur, mevrouw Daal, en is het al kwart over 12.

Ik leg het boek op het bureau en lees verder. De hoofdpersoon haalt uiteindelijk de lijn binnen zonder vis aan het eind van de haak. ‘De haring was tot op het bot kaalgevreten’, staat er, ‘alleen een kop met ogen met daaronder een witte kam van kraakbeen en wervels waren overgebleven.’ Gelukkig mag hij de zalm hebben van een andere visser die veel kalmer het dier naar binnen hengelt en met zijn kop doodslaat op een steen.

‘Meneer, het is begonnen met een klein scheurtje in uw heup’, hoor ik een arts zeggen in het kamertje naast ons. Blijkbaar staat daar ook een deur open. ‘En dat is uitgegroeid tot 6 scheuren. Het bot is eigenlijk helemaal verbrijzeld.’ Het is stil. ‘We hebben geen idee hoe het komt.’ Weer een rust. ‘En dan ga je natuurlijk aan het ergste denken.’

‘We zullen de situatie beter moeten onderzoeken’, zegt de harde stem. ‘Dus begint u de komende 6 weken maar met totale rust te houden. Geen beweging in de heup en het gewricht.’ Het is weer stil. ‘Nee, dat is niet mogelijk meneer. Ik kan regelen dat u een rollator of een looprekje krijgt. Maar ik heb het liever niet.’ Opnieuw die stilte, waarbij de patiënt blijkbaar reageert, maar de stem is niet hard genoeg.

‘Ja, we zouden het natuurlijk kunnen volstorten met cement, maar dan wordt het onwrikbaar en dat willen we ook niet. Bovendien zou het allemaal weglopen. Het is onbegonnen werk. Het heeft allemaal geen zin. Het enige dat we kunnen doen is rust houden en de situatie onderzoeken meneer.’

De assistente loopt voorbij de deur en doet het hem met een klap dicht. Ik zoek de regel waar ik gebleven was en probeer verder te lezen. Het scherm flikkert nog altijd op mevrouw Daal. Geen vaart zit er in. Meneer Inray die achter mevrouw Daal om 10.45 uur staat gepland wacht misschien ook nog op antwoord.

Als dan iets over half 1 de arts het bedompte kamertje binnenkomt, geeft hij ons een hand. Hij vraagt of ze de onderarm kan bewegen en of ze de hele arm omhoog kan bewegen. Het gaat allemaal prima. We mogen over 6 weken weer terugkomen. Nog geen 3 minuten later verlaat hij voor ons het bedompte kamertje.

‘Ik zal een recept uitschrijven, dan kunt u dat via uw verzekering regelen’, hoor ik nog uit het kamertje naast ons als wij opgelucht het ziekenhuis mogen verlaten.

Arm uit de kom

Het gaat eigenlijk heel onopvallend. Inge pakte het fototoestel om de sinasappelsapsnor van Doris op de foto te zetten. En toen schoot de arm uit de kom. Een pijnscheut en veel stilte. Inge beet op haar lippen van de pijn. We wisten snel genoeg hoe laat het was. De arm kon niet meer bewogen worden en de bovenarmspieren krompen voortdurend samen.


Spoedpost

Snel naar de Spoedpost, nadat we ons telefonisch gemeld hadden en Inge twee pijnstillers had ingenomen met een mitella om de auto in. Elke hobbel en bocht naar links was Inge teveel. We wisten wel van de vorige keer – ruim een jaar geleden – dat het uiterst pijnlijk was.

Op volgorde afgewerkt

Maar je bent niet gelijk aan de beurt bij de Spoedpost. De wachtruimte wordt leeggewerkt op volgorde van binnenkomst en het was net een druk moment, de ruimte zat behoorlijk vol. Ondanks dat viel het mij niet tegen. We werden door een vriendelijke verpleegster meegenomen. Ze kwam snel tot de conclusie dat het best weleens een arm uit de kom zou kunnen zijn, waarna een röntgenfoto als bewijs moest worden gemaakt.

Meisjes op Crocs

Twee meiden werden telefonisch opgetrommeld; ze kwamen gelijktijdig met ons aan bij de fotokamer. Eentje droeg vrolijk gele crocs; de ander had een wat neutralere kleur aan haar voeten. Zo viel het een beetje in de toon met ons zondagstenue. Wij liepen allemaal op onze wintercrocs (met zachte kussentjes). De foto liet weinig twijfel over, de arm was inderdaad uit de kom geschoten.

Vrijwel meteen terug

Weer terug naar de kamer waar een andere verpleegster bij was gekomen. Inge ging op haar buik liggen en de arm klikte vrijwel meteen terug in de schouder. De pijn verdween ook praktisch meteen. De controlefoto liet het onomstotelijk zien: de schouderkop zat weer in de schouderkom. De meisjes op de crocs leken niet weg te zijn geweest. Ze waren nog in de fotokamer.

Wachten op arts

Weer terug in de kamer was het wachten op de arts. Hij had ons iets eerder snel een hand geschud, maar werd op het moment dat hij mij een hand gaf gebeld en verdween weer uit beeld. Ook nu was hij druk met bellen, maar hij wist toch even een moment voor ons vrij te maken. Hij sprak wel zijn zorgen over de tweede keer dat de arm uit de kom schoot. Aan de andere kant heeft hij het wel ruim een jaar volgehouden. Zo gaf hij een vervelende morgen nog een positieve draai. Nu een week volledige rust, daarna weer rustig beginnen met bewegen. In elk geval is het een paar weken leven met een handicap.

Wil de echte De Wit opstaan?

Ik keek heel vreemd op toen ik de rekening van mijn zorgverzekeraar kreeg. De rekening vermelde namelijk dat ik eind mei vorig jaar een behandeling had gehad in een oogziekenhuis in Rotterdam.

Of ik even 20 euro eigen risico wilde betalen. Ik kon mij echter niet herinneren dat ik ooit in een Rotterdams oogziekenhuis een behandeling heb ondergaan. Sterker nog eind mei was ik zelfs niet in de buurt van Rotterdam.

Misbruik van mijn naam? Of zou iemand zich met mijn pasje daar hebben vertoond? Het nabellen leverde weinig geruststelling op. Eerst mag je zelf het probleem oplossen door met het betreffende ziekenhuis contact op te nemen en daarna moet je het daar zonder declaratienummer doen.

Het schijnt nu opgelost te zijn. Een andere De Wit meldde zich met dezelfde geboortedatum. Keurige registratie, etc. De vergoeding verloopt via een landelijke database. Bij het verwerken van de declaratie kan in verband met privacy alleen met achternaam en geboortedatum worden gewerkt.

Tenminste, dat zeggen ze in Rotterdam. Het bewijs laat nog wel even op zich wachten, want het geld heb ik voorlopig nog niet terug.

Beschuit

Iets voor tweeën, mijn mobiel draalt de Nokia-symfonie. ‘Hallo met de zuster van het ziekenhuis. Uw vrouw is zojuist wakker geworden. Het is allemaal goedgegaan. U kunt haar aan het eind van de middag ophalen. Ik bel u wel als het zover is.’
Eerst nog wat eten en uitrusten. Ze zouden de tijd nemen. Oké, het was geen grote ingreep, maar ik was best gespannen. Ik ging door met werken, iets dat je het beste kunt doen bij zoiets. Inge moest vandaag naar het ziekenhuis om iets te doen aan haar bloedingen. Iets met een netje in de baarmoeder een stroomstoten, wat een heel afdoende middel schijnt te zijn.
Een klein uurtje later, ik had nog een cliënt aan de lijn die niet kon inloggen, had ik de Surinaamse zuster aan de andere kant van de Nokia. Ik mocht haar komen halen. Nog snel wat administratieve afhandelingen en ik reed naar het ziekenhuis. Een tunneltje, een fietspad, tweehonderd meter 30 km-zone en driehonderd meter dreef. De drukte op de weg was voldoende er twintig minuten over te doen. Als je een hartaanval krijgt, kun je beter lopen, dan de auto pakken, want je sterft tijdens het wachten.

G2B kreeg ik als code mee. Volgens de portier wel een ‘heel ouderwetse benaming’. Achterin kamertje 16 lag ze, vertelde de zuster bij de ingang van dagopname. Ik liep de gang door, zag het nummer en keek recht in de ogen van een vrouw die mij heel beroerd aanstaarde. Op haar borst lag een kartonnen opvangbakje.
Daarnaast lag mijn vrouw, tevreden een blaadje lezend. Of ze mee kwam, vroeg ik. Naast haar gorgelde de vrouw in het kartonnetje. Ik zag niet veel meer dan een gelig doorzichtige drap in het bakje belanden. Aan het geluid dat ze produceerde leek het of haar hele maaginhoud erin werd gespuugd.
Mijn geliefde kwam fris en fruitig overeind, bijna nog fitter dan zoals ik haar rond tienen gebracht had. Samen liepen we de gang af, zochten de auto ergens op het overvolle parkeerterrein, achteraan.
We waren bijna bij de auto. ‘Ik heb zin in beschuit’, zei ze. ‘Maar we hebben geen beschuit’, antwoordde ze zelf. Ik heb haar even naar de auto gebracht en daarna beschuit gehaald bij de supermarkt achter de parkeergarage.
Beschuit, haar buurvrouw moest daar niet aan denken.

Twee keer vrijwilligers

Twee dagen achtereen vertelt EenVandaag over vrijwilligers in het ziekenhuis. Gisteren het verhaal van een meisje dat tijd vrijmaakt voor een baby met een hartafwijking. Ze bezoekt het kind meerdere keren per week in het AMC, omdat de ouders niet in staat zijn het kind dagelijks te bezoeken. Dat jonge mensen zich zo inzetten en verdienstelijk maken voor hun medemens, riep veel respect bij mij op.

Vandaag in een interview aan de keukentafel, Aysel Erbudak, directeur van het Slotervaartziekenhuis. In januari ontsloeg het Amsterdamse ziekenhuis 45 vrijwilligers. Het werd teveel een theekransje en draaide meer om de vrijwilligers dan de patiënten, aldus de directeur. Ze verruilde de vrijwilligers voor professionals.

Jammer, want ze had de vrijwilligers ook kunnen sturen, andere taken geven, gericht op extra zorg en aandacht voor patiënten. Dat had een win-win-situatie opgeleverd en niet de huidige situatie met kostbare vrijwilligers als verliezers.