Tagarchief: hel

Liefde voor Florence: Divina Commedia: Louteringsberg: Canto 6c

Spreekt Dante in het eerste deel van de Goddelijke komedie zijn afschuw uit over de wantoestanden in zijn geboortestad, in het tweede deel is er meer ruimte voor hoop en verlangen. Gelukkig is de cynische toon van weleer niet helemaal verdwenen…

De louteringsberg richt zich ook veel sterker op de mogelijkheden van verzoening en vooral van zelfreiniging. De gestraften hier zitten hier in de hoop dat de levende zielen voor ze bidden. Tegelijkertijd is er de mogelijkheid om je zondige leven goed te maken door het goede te doen.

De houding van Dante ten opzicht van de Italianen en vooral in de richting van de stad Florence is ook omgeven van het verlangen dat de bewindslieden hun fouten inzien. De verteller laat zich heel kritisch uit over de wantoestanden in de stad. Waarbij de slechte wetten alleen maar ellende voortbrengen.

De uithalen die de verteller hier doet over Florence, klinken als de echtgenote die haar overspelige echtgenoot toeroept. Ze zijn liefdevol en haatdragend tegelijk. Daarmee laat Dante iets heel moois zien. Ik kan echt genieten van deze zinnen. Zoals de vergelijking met het zachte donsbed waarin een zieke maar niet zijn rust kan vinden.

Hoe vaak al – naar Uw heug’nis brengt te binnen –
Hebt gij van munt, wet, ambt geruild en zeden
En wist gij nieuwe burgers U te winnen.

Bedenkt gij wel en straalt het licht U heden,
Dan ziet gij U toch op zoo’n kranke lijken,
Die zelfs op dons geen rust vindt voor zijn leden,

Maar went’lend steeds de pijn zoekt te ontwijken. (vs 145 – 151, Rensburg )

Hier spreekt het lyrisch ik zijn stad Florence kritisch toe. Toch spreekt hier wel de mogelijkheid om je te verbeteren. De haat van het eerste deel, verschuift naar een verlangen dat de machthebbers zullen veranderen.

Al beseft het lyrisch ik in zijn vergelijking dat de vele veranderingen in Florence als het draaien en woelen van de zieke in het zachte dons is. Het zit van binnen en de oplossingen van buiten, bieden geen verlichting.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 6

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rensburg uit 1908. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.
Lees verder

Intermezzo: Divina Commedia: Tussen hel en hemel

img_20161010_213103.jpgDante en Vergilius komen in het tweede deel van de Goddelijke komedie in het gedeelte tussen hel en hemel terecht: het vagevuur. Bij Dante heet dit vagevuur, de louteringsberg. In mijn ogen het mooiste gedeelte van de Divina Commedia.

Hier vermengt de boetedoening voor de zonden in een loutering. Een bijna boeddhistische benadering van omgang met schuld en boete. De boete dient om er uiteindelijk gereinigd uit te komen. Niet het straffen om het straffen, maar de betere mens die er uiteindelijk uit komt. Dat is het einddoel van de louteringsberg.

Dante situeert deze berg aan de andere kant van aardbol: op het Zuidelijk halfrond. Zoals in de laatste Canto van de Hel duidelijk is, ziet Dante dit anders dan wij. Hoe anders, wordt mij niet duidelijk. De louteringsberg begint waar de hel eindigt en na een lange klim komt hij daar aan.

Bij het lezen van dit gedeelte van het boek ben ik vooral bevangen door de mooie beelden en het doel in de richting van de lezer. Trekt de Hel vooral aan door het grote angstaanjagende karakter ervan, dit deel van de Goddelijke komedie trekt op een heel andere manier de aandacht. De lezer heeft er wat aan.

De louteringsberg maakt je veel bewuster van de zonden waar je iets aan kunt doen. Heeft de Hel vooral een fatalistisch gehalte, in dit gedeelte van het hiernamaals heb je invloed. Je kunt iets aan je lot doen. Iets dat mij veel meer aantrekt dan de niet te herstellen verdorvenheid van de hel.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Afscheid van Lucifer: Divina Commedia: Hel: Canto 34 deel 2

img_20161004_212949.jpgDe kou hier op het verste puntje van de aarde is ondragelijk, schrijft Dante. De verteller en Vergilius zijn hier beland in het centrum van de aarde. Dit vormt het middelpunt voor Lucifers macht.

Als hij afzakt, ziet Dante tot zijn verbazing dat Lucifer op zijn kop hangt. Het ijs is verdwenen en Dante wil begrijpen waarom de duivel op zijn kop hangt en het ijs verdwenen is.

De uitleg van Vergilius is helder: we hebben haast, de hoogste tijd om door te gaan. Er is geen tijd om lang stil te staan bij de op zijn kop hangende Lucifer.

Vergilius komt tot de uitleg. Ook hier is de wereld een bol. Het is niet helemaal duidelijk of de Romeinse dichter de wereld hetzelfde ziet als wij. Voor hem en Dante is de duivel het middelpunt van de aarde en daarmee van het heelal. De aarde draait immers nog om de zon.

De dichter geeft Dante en de lezer een staaltje van Middeleeuwse astronomie en geologie. De kennis van het heelal en de aarde, reikt best ver. De tegenvoeters leven aan deze kant van de wereld, stelt Vergilius.

Ze staan niet zo lang stil bij deze duistere plek en gaan verder:

Een ruimte is daar beneden, die zich verwijdert
Van Belzebub evenver, als [zijn] graf zich uitstrekt,
Een die niet door het zien, maar door ’t geluid bekend is

Van een klein beekje, dat daar nederdaalt
Door het gat van een rots, die het uitgehold heeft
Met zijn kronkelende loop, die weinig helt.

De gids en ik traden dien verborgen weg
Binnen om tot de lichte wereld weer te keeren;
En zonder over rust nog zelfs te denken

AStegen wij op, hij eerst en ik als tweede,
Zoover, tot ik weer iets van de schoone dingen
Die de heemel draagt, door een ronde opening zag;

Hieruit betraden wij naar buiten om weer te zien de sterren. (vs 127 – 139, Bremer)

De 2 ontsnappen door een nauw gaatje naar buiten. De laatste regel uit het hel-gedeelte is een ware bevrijding. Het zien van de sterren biedt weer perspectief. Na het dieptepunt van de hel, staat ze weer buiten. Er is weer ruimte. De hel werd steeds nauwer en enger. Nu is daar weer de bevrijding.

Misschien wel de diepste crisis waar de verteller in verzeild raakte, na de tocht door het donkere woud. Ook het niet helemaal begrijpen van de duivel, helpt hem niet. Dan is daar blijkbaar een nauwe doorgang waardoor zijn helper en hij glippen.

Er breken mooie tijden aan…

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 34

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Frederica Bremer uit 1943. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Het diepste van de hel: Divina Commedia: Hel: Canto 34 deel 1

img_20160923_220104.jpgDante en Vergilius komen nu in het meest onhergzame deel van de hel. Hier verblijft Lucifer. Dieper kun je niet afdalen. Hier is het diepste van het diepste. Dit deel ligt het verste af van God en is verborgen in het binnenste van de aarde.

Vergilius wijst er eerst vanuit de verte naar en zegt dat dit Dis is, waarnaar ze al de hele weg op reis zijn. Het einddoel van de reis en Dante wordt onmiddellijk gegrepen door de plek waar hij nu is:

Hoe ik verstijfde en zwijmde bij die woorden,
Vraag het niet, lezer, want ik zal ’t niet schrijven,
Daar alle woorden maar de waarheid stoorden.

Het was geen sterven, geen in leven blijven.
Wil, hebt ge een grein van geest, dus zelf doorgronden
Hoe tusschen zijn en niet-zijn ik bleef drijven.

De Koning van smartelijke gronden
Had tot de borst het ijs als grot en keten,
En eer word ik aan grootte een reus bevonden

Dan dat een reus zich met zijn arm zou meten.
Naar verhouding van geheel tot deelen
Kunt ge de grootheid van zijn lichaam weten. (vs 22 – 33, Verwey)

Dante schildert de duivel af met 3 verschillende gezichten en onder die gezichten enorme vleugels zo groot als zeilen die koude rondwapperen. Bij elke klap van de vleugels waait er een ijskoude vrieswind. In de mond van 1 van de 3 gezichten zit een zondaar.

Het is Judas Iskariot, de volgeling die Jezus verraden heeft. Hij wordt hier het zwaarst gestraft van alle zondaars in de Hel. Met zijn tanden verbrijzelt Lucifer de verrader van Jezus. Judas valt uiteen als met vlas in een vlasbraak gebeurt, schrijft de verteller. Zijn hoofd zit naar binnen, terwijl zijn benen buiten de mond van de duivel steken.

In de andere monden zitten 2 andere zondaar, Brutus en Cassius. Hun treft hetzelfde lot als Judas. Van deze 3 zondaars wordt de verrader van Jezus zeker het strengst gestraft, weet Vergilius aan de verteller mee te delen.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 34

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Albert Verwey uit 1923. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Bevroren tranen: Divina Commedia: Hel: Canto 33

De graaf Ugolino neemt een hap uit het hoofd van aartsbisschop Ruggieri. Hij veegt meteen zijn mond af aan de haren van het hoofd waar het net zijn tanden heeft gezet. De schim vertelt aan Dante en zijn begeleider Vergilius wie hij is.
In de vorm van een droom met bijbehorende symbolen vertelt hij zijn geschiedenis. Hoe hij op een verschrikkelijke manier ten einde kwam dankzij de man waar hij net en stuk uit de schedel verslonden heeft. Hij zou als burgemeester zijn stad Pisa hebben verraden, maar daar denkt hij anders over.

De verteller lijkt hier wel de gulden middenweg te kiezen in zijn verhaal over deze bijzondere geschiedenis. Als lezer kom ik in de verleiding om de graaf als slachtoffer te betitelen. Helaas komt de aartbisschop niet aan het woord. Ugolino en zijn zonen zijn omgekomen aan de hongerdood in die toren, die sinds hun dood de naam Hongertoren draagt.

Verderop liggen andere zondaars. Ze liggen achterover, schrijft de verteller. Ook hier is het ondragelijke koud. De tranen van de zondaars bevriezen meteen. De verteller kan het niet laten hier een treffende vergelijking te maken:

Wij gingen verder, langs een plek die anderen
ook stijf ’t in ijs houdt vastgeklemd, maar nu
’t gezicht omhoog gewend, niet naar beneden.Zo stremt het huilen zelf de tranenvloed,
het wellen van ’t verdriet wordt door de ogen
gestuit en binnen stuwt de pijn zich op.Want de eerste stroom verstart zich tot obstakel
en dat kristal vormt zelf een soort vizier
dat tot de wenkbrauw heel de oogkas opvult. (vs 91 – 99, Brouwer)

De oogholtes zitten vol met bevroren tranen dat ze veranderen in brillenglazen. In gesprek met de zondaars hier verneemt Dante dat de duivel zo wreed is dat hij de gedaante aanneemt van levende wezens zoals Branca d’Oria. Een vlijmscherpe veroordeling. De ziel baadt al in de Cocytus, terwijl zijn lijf rond op aarde rondloopt.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 33

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rob Brouwer uit 2000. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Bevroren hoofden: Divina Commedia: Hel: Canto 32

img_20160912_211345.jpgDante en zijn begeleider Vergilius staan op de onderste laag van de hel, het centrum van de aarde. De grond waarop ze staan is bevroren, merkt de verteller op. Het is sowieso lastig te schrijven in zijn moedertaal wat hij hier ziet.

Bovendien moet hij opletten waar hij zijn voeten zet, want een stem roept tegen hem uit te kijken waar hij loopt. Als hij goed kijkt, ziet hij een hoofd spreken die vastgevroren zit in de bevroren bodem. De vergelijking die Dante maakt is brilliant.

Hij vergelijkt de hoofden boven de bevroren massa met de kikkers die in de zomer hun koppen net boven het water uitsteken:

Zoals de kikker, kwakend in het riet,
Zijn kop toont, ’s zomers, als het aren lezen
Al menig boerenmeisje dromen liet,

Zo zag ik hoofden, uit het ijs verrezen
Tot waar zij moesten blozen om hun kwaad;
Geen ooievaar klappert zo luid als dezen.

Ze bogen allemaal het grauw gelaat,
Waarbij hun mond van kilte leek te spreken,
De ogen van hun smartelijke staat. (vs 31 – 39, Cialona en Verstegen)

Hij ziet verdoemden bij zijn voeten. Ze zitten zo dicht op elkaar dat de haren in elkaar verstrengeld vastzitten. Als Dante vraagt wie het zijn, ziet hij dat ze moeten huilen. De tranen bevriezen meteen in de kou en zo vriezen de gezichten tegen elkaar vast. Waarna ze hun hoofden tegen elkaar in bewegen als 2 vechtende bokken, schrijft de verteller.

Alleen een ander hoofd in de buurt, vertelt wie het vastgevroren duo is. Daarna begint het hoofd te tieren en te vloeken en wil zijn naam niet geven aan de verteller. Dante trekt hem aan zijn bevroren hoofdharen, maar krijgt de naam van de scheldende ziel niet los.

Tot iemand Bocca roept en Dante weet wie het is. ‘Verrader’, werpt hij het hoofd toe en loopt verder. Daar ziet hij hoe 2 hoofden uit hetzelfde gat steken en het ene hoofd het andere als hoed gebruikt. Daarna grijpt de ander het hoofd in de nek. Zo straffen de gestrafte zielen elkaar.

Hier in dit deel van de hel zitten de verraders van bloedverwanten. Gezien de gebeurtenissen die Dante beschrijft, hebben ze het nog niet afgeleerd.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 32

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Ike Cialona en Peter Verstegen uit 2000. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Krachtpatser: Divina Commedia: Hel: Canto 31

img_20160905_212225.jpgHet schaamrood staat Dante nog op de kaken, maar Vergilius stelt hem gerust. De vlijmscherpe tong van zojuist, drukt zich nu een stuk milder uit. Geruststellend spreekt de klassieke dichter tegen Dante.

Ze komen nu echt in het binnenste van de hel. Het is er aardedonker en er klinkt een afschuwelijk luid hoorngeschal, vertelt Dante. De verteller meent in de verte torens te zien en vraagt welke stad er ligt. Vergilius legt uit dat het oog hier in de duisternis bedrogen wordt. Het zijn geen torens die daar staan, maar reuzen.

Ze staan daar tot de middel in de put die de bodem van de hel vormt. Ze zijn gigantisch, met hoofden zo groot als de pijnappel die in Dantes tijd voor de Sint Pieter in Rome staat. De brullende reuzen roepen wel de schrik aan bij Dante, maar ook hier wint zijn nieuwsgierigheid het van de angst.

De reus Antaeus is ze welgezind en wil ze wel oppakken om ze op de bodem van de put te zetten, in de diepte waar Lucifer en Judas zich bevinden, schrijft de verteller. Het moment waarop de reus voorover buigt, weet Dante prachtig te omschrijven:

Gelijk de Carsende ons duchten doet
Wanneer de wolken naar heur helling komen,
Dat zij straks vallen zal voor onzen voet:

Zóó scheen Antaeus, toen ‘k, met heimlijk schromen,
Hem neigen zag en tot den wederkeer
Wel gaarne een andren reisweg had genomen.

Hij zette zachtkens ons in d’ afgrond neer,
Waar Lucifer en Judas zijn verwezen.
Doch kort nadat hij boog, daar stond hij weer,

Ontzaglijk, als de mast in ’t schip herrezen! (vs 136 – 145; Ten Kate)

Hij vergelijkt het met de scheve toren Garisenda in Bologna. Het effect kent iedereen als je voor een kerktoren staat en omhoog kijkt. Een vergelijking die werkelijk zeer treffend is. Ieder kind heeft wel eens voor een hoog gebouw of een toren gestaan en naar de hemel gekeken.

Zeker op een stormachtige dag is het effect overweldigend. De voortjagende wolken duwen het gebouw naar beneden waardoor het echt lijkt of het op je afkomt.

Sinds ik deze passage gelezen heb, heb ik het weer vaak geprobeerd. En het effect blijft net zo mooi als vroeger. Nu denk ik er meteen even bij aan de krachtpatser Antaeus in het diepste van de hel. Geruststellend schrijft Dante erbij dat de reus ze op de bodem zet en vervolgens weer als de mast van een schip fier overeind komt.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 31

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van J.J.L. ten Kate uit 1876. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Bekvechten: Divina Commedia: Hel: Canto 30

img_20160829_211832.jpgDante en Vergilius blijven nog even in de 10e ringgracht van de Malebolge, de kring met de 10 grachten of balgen erin. Hier verblijven de vervalsers. Na het zien de van de 2 krabbende alchemisten, komt de verteller nog andere zondaars tegen.

Ze zijn bevangen door razernij, vertelt Dante. Zo treft hij 2 zielen die achter elkaar aan rennen door de ringgracht. De meeste indruk maakt de ziel die eruit ziet als een luit. De dikke buik en dunne hals naar boven doen aan dit snaarinstrument denken. Alleen de spillebeentjes eronder verstoren het beeld.

De gestrafte ziel heeft zijn buik vol van water, maar hij kan er niet bij met zijn dorstige lippen. Het water stopt precies ter hoogte van zijn lippen. Het water is bedorven en verhindert dat hij zich kan voortbewegen om ergens water te gaan drinken.

De stakkers naast hem liggen te dampen als 2 natte handen in de winter, zegt Dante. Ze bekritiseren elkaar vanwege hun straf. Waar de ene de andere zou kunnen helpen, lijken ze vooral bezig te zijn met elkaar te beschimpen. De Griek Sinon slaat de buikige man op zijn buik. Het klinkt als een trommel.

“Was valsch mijn woord, Uw munt schonk geen vertrouwen”,
– Sprak Sinon – “ben ik om één daad verloren,”
Gij moet om meer dan ook wàt demon rouwen -.”

“Denk aan het Paard, gij, die valsch heeft gezworen”,
– Antwoordde hij, wiens buik hem zwol naar boven –
“En belg U, dat een ieder dit zal hooren”, –

“En U kwel’ dorst, dat die Uw tong zal kloven,
– Sprak toen de Griek – , “en ’t water zal bederven,
Zóó, dat Uw buik U ’t uitzicht zal ontrooven”, – (vs 115 – 112, Rensburg)

Ze staan zelfs in de hel tegenover elkaar en bevechten elkaars straf. Ze voelen zich tegenover elkaar beter dan ze zijn.

Vergilius voelt zich boos worden. Is dit gekrakeel tussen de bestrafte zielen nog juist? In plaats van medelijden opwekken, maken ze de woede in hem los. Nog even en hij barst los tegen Dante. Want zijn deze zielen het waard om naar te luisteren. Als ze tegenover elkaar hun fouten niet toegeven, hoe kunnen ze dan ooit spijt hebben van hun daden?

Dante schaamt zich diep en verontschuldigt zich tegenover zijn begeleider. Het is minderwaardig om hiernaar te willen luisteren, stelt Vergilius. Dus de volgende keer geen aandacht schenken aan 2 bekvechtende zielen.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 30

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rensburg uit 1908. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Vervalsers: Divina Commedia: Hel: Canto 29

img_20160823_122313.jpg
Nog onder de indruk van de zondaars die hij gezien en gesproken heeft in de 9e grachtring, trekt zijn begeleider Vergilius Dante weer in het verhaal. Dante zegt dat hij wil gaan huilen van alle smart die hij hier ziet. Vergilius ziet het anders.

De Romeinse dichter is van mening dat je de pijn en verdriet die mensen hier treft, hier moet laten. Je kunt niet alle zonden van de wereld op je nemen, vindt hij. Zelfs de bloedverwant van Dante, een neef van zijn vader, die een gewelddadige dood gestorven is, moet hij met rust laten. Je schiet er niks mee op, vindt de dichter.

Ze lopen naar de 10e en laatste ringgracht van de 8e kring, de Malebolge, de kring van de bedriegers. In de 10e ring zitten de vervalsers. Hij kan het niet goed zien omdat er niet genoeg licht is, maar er komt een ondraaglijke stank omhoog uit deze gracht. De verteller vergelijkt het met de lucht van ontbindende lijken.

Het leed dat Dante ziet, is te vergelijken met alle zieken in de periode juni in juli in de ziekenhuizen van Sardinië, de Valdichiana en de Maremmen liggen. In deze tijd van het jaar waren er tijdens Dantes leven veel malaria-slachtoffers.

Als hij wat lager komt, ziet hij de bodem van de ringgracht wat beter. Ze lopen zwijgend over de lager gelegen dwarsdam. Dan ziet Dante 2 mannen die helemaal van top tot teen met korsten bedekt zijn. Ze vechten tegen een krankzinnige jeuk:

Ik zag er twee zitten tegen elkander geleund.
Zooals men om ze te warmen pan tegen pan zet,
Van ’t hoofd tot de voeten met korsten bevlekt;

En nooit zaag ik zóo de roskam hanteeren
Door staljongen op wien de meester wacht,
Noch door hem, die ongaarne wakker blijft:

Als ieder van hen de nagels repte
Steeds over zich heen om de groote woede
Van den jeuk, waarvoor geen verlichting meer is.

En zoo trokken de nagels de schurft af,
Als het mes de schubben van den brasem,
Of van een anderen visch, die er grootere heeft. (vs 73 – 84, Bremer 1943)

Een prachtig fragment dat ik niet kan lezen zonder een ongelooflijke jeuk te krijgen. Dante loopt hier de alchemisten Griffolino en Capocchio tegen het lijf. De laatste zit hier omdat hij de alchemie heeft ingezet voor zijn eigenbelang. Hij vervaardigde er valse munten mee.

Volgens de verteller is het vervalsen van geld wel de ergste zonde tegen de staat die je kunt plegen. Tegelijkertijd wijst de alchemist Capocchio erop dat Dante hem ook moet kennen vanwege zijn kunde de natuur heel goed na te kunnen bootsen.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 29

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Frederica Bremer uit 1943. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Zaaiers van tweedracht: Divina Commedia: Hel: Canto 28

img_20160811_211129.jpgDante en Vergilius komen aan bij de 9e ringgracht in de 8e kring van de hel. Het wordt steeds grimmiger, merkt de verteller op. In dit deel zitten de zaaiers van tweedracht, zegt hij aan het eind van de vorige canto. Hij vertelt er meteen bij dat het met schuld beladen tweedracht is.

De eerste die hij hier al aantreft zijn Mohammed en zijn schoonzoon Ali. Het gezicht van Ali is van kin tot kuif doorklieft. Een duivel splitst hen telkens weer gemeen in tweeën, vertelt Ali aan Dante. Als Mohammed hem even later vraagt wat hij hier doet, antwoordt Vergilius.

Dat Mohammed hier te vinden is, komt mogelijk door legenden uit de Middeleeuwen waarin beweerd wordt dat de profeet van de Islam mogelijk een afvallige kardinaal is geweest. Hier maakt Mohammed al aanstalten om verder te gaan nog voor hij uitgesproken is.

In dit deel van de hel komt Dante een bijzondere ziel tegen. Het is een romp zonder hoofd dat hier rondloopt. Hij loopt onder de brug door die de verteller en Vergilius oversteken.

Ik zag, en ’t schijnt mij dat ik nog zie schrijden
Een lichaam zonder hoofd, gaande met de scharen
Die in die droeve stoet zich samenrijden.

Het afgeslagen hoof hing bij de haren
Hem aan de hand en zag ons aan en klachtte:
O jammer! en het diende ‘m als lantaren.

Het Zelf dat zag, ging uit voor het omnachte,
Twee en toch één, één en in twee tezamen;
Hoe ’t kan weet Hij die werkt in al ’t volbrachte. (vs. 118 – 126; Verweij)

Hij noemt zich Bertran de Born en vertelt over de tweedracht die hij zaaide tussen de koning van Engeland en zijn zoon. Hij vergelijkt zijn rol met die van de bijbelse Achitofel die vader David en zoon Absalon op soortgelijke wijze tegen elkaar opzette. Zijn daad heeft Betran de Born deze straf opgeleverd.

Hij legt uit dat de straf die hij krijgt, een contrapasso is. De straf heeft een relatie met de begane zonde op aarde. Voor Betran betekent dit zijn hersenen los van zijn lichaam zijn. Het is de wet van de wedervergelding, merkt hij op tegen Dante.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 28

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Albert Verweij uit 1923. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.