Tagarchief: literatuur

50 tinten – #50books

50-tinten

Teveel seks of juist te expliciet. Je kunt van 50 tinten – Grijs alles vinden. Het was 3 jaar geleden een complete hype. Ik weet niet of dat te evenaren is met een nieuw deel, gezien vanuit het perspectief van het mannelijk personage.

Er heerste hier in huis ook even die opwinding. Op facebook en twitter schreven voornamelijk veel vrouwen over dit boek. Het boek doet het meest aan een kasteelromannetje denken, waarbij de lezer heerlijk mag wegzwijmelen in de avonturen van deze schatrijke man en de jonge studente.

Toen Inge – mijn Inge – aan het boek begon, aangemoedigd door een groep enthousiastelingen op facebook, heb ik het ook in mijn handen genomen en ben begonnen. Een verhaal dat een enorme spanningsopbouw bezit, gedreven door seks. In dat opzicht best aardig, maar het begon mij gaandeweg te vervelen.

Ik vond de seksscènes meer en meer oponthoud opleveren. Daarmee verdween voor mij de nieuwsgierigheid naar de rest van het verhaal. Zodoende haakte ik ergens halverwege af. Het verliep in mijn ogen te traag en voorspelbaar. Dat ze elkaar zouden krijgen, sprak voor zich. Alleen hoefde ik niet te weten hoe die lange draad eindelijk afgesponnen zou worden.

Wat ik wel mooi vind aan het boek is hoe het op de markt gekomen is. E.L. James plaatste het verhaal oorspronkelijk op een forum voor liefhebbers van dit soort seksueel getinte verhalen. Een uitgever zag er iets in en spoorde haar aan het verhaal te herschrijven tot de verbraafde versie die het nu geworden is.

Een jaar na de hype lagen de boeken al in de kringloopwinkels voor veel schappelijkere prijzen. Op een boekenmarkt zag ik eens 2 oudere dames rondlopen. Eentje haalde het boek van het schap en tikte haar buurvrouw aan.

Ze keek er heel ondeugend bij naar haar vriendin. ‘Is dit niks?’ vroeg ze. Ze kregen iets van 2 meisjes. Ze giechelden en keken sluiks in mijn richting. ‘Of zou die meneer het willen hebben?’

Ik vond het vooral heel schattig en genoot daar meer van dan mij te laten verleiden tot een reactie.

#50books

Dit is het antwoord op vraag  26 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Na Martha Pelkman in 2014 heeft Peter het in 2015 weer overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

Toyota

image

In het levensverhaal van haar overleden man Pepe, keert steeds zijn oude Toyota terug. Juanita heeft de auto van haar overleden echtgenoot te koop aangeboden en er dient zich steeds één koper aan. Hij doet een belachelijk laag bod op pagina 10, waarna hij haar geregeld opbelt of ze akkoord gaat.

De sjacheraar leeft helemaal mee met Juanita als ze zegt dat ze erover denkt het niet te doen:

‘Het is een prachtbod, neem dat maar van me aan. Ik ken uw man zaliger niet, maar hij zou het zeker overwegen.’
‘Geen idee. Misschien.’ Ik grijns. Pepe zou dat moeten horen, dat zaliger.
‘Ik weet het zeker.’ Weer dat gefluit. ‘Mijn vrouw zaliger kon ook zo besluiteloos zijn. Dan moest ik haar echt bijsturen.’
‘En nu wilt u mij bijsturen?’ Ik moet lachen.
‘Nee, nee. Zo moet u dat niet opvatten. Ik sta aan uw kant, en als ik dat zeg, dan meen ik dat ook.’ Hij gromt een mensaap met wijfjes. ‘Maar mijn vrouw was me er dankbaar voor, dat kan ik u zeggen.’ (63)

Dat de opkoper in tranen uitbarst, dan laat ze zich er niet door misleiden. Ze weet het nog niet of ze afstand wil doen van de auto. De Toyota van Pepe staat voor haar overleden echtgenoot en ze kan dat stukje nog niet loslaten.

Hij blijft haar lastigvallen, maar ze neemt niet op. Als haar auto bij het rijden een raar bijgeluidje maakt, wordt Juanita ongerust. Er zou toch niks aan de hand zijn met het autootje? Ze belt naar de oude monteur. Hij neemt op, maar hij zit in Zuid-Afrika naar de wilde dieren te kijken.

Als ze de auto alvast bij zijn huis zet, blijft hij daar staan. De monteur wil hem niet maken en wacht tot er slooponderdelen zijn. Ze wil niet wachten op het ‘typische mannendingetje’ waar de monteur over spreekt en gaat naar de garage waar ze de Toyota vroeger gekocht hebben.

Daar laat ze hem reperaren en besluit de auto te houden. Ze maakt zo haar eigen keuze. Daarmee staat de Toyota symbool voor het verwerken van het verlies van haar man. Ze houdt hem in herinnering, maar kiest wel haar eigen richting. Ze doet de dingen niet zoals hij ze zou doen, maar maakt haar eigen keuze.

Alleen zo kan ze de as van haar echtgenoot in zijn eigen auto meenemen en uitstrooien over de Spaanse aarde.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn tweede bijdrage over En nooit was iets gelogen van Ellen Heijmerikx. We lezen dit boek bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nl. Lees de bijdragen van anderen in de reacties.

Ellen Heijmerikx: En nooit was iets gelogen. Roman. Met gedichten en liedjes van Jos Verstegen. Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2015. ISBN 987 90 468 1881 7. Prijs: € 19,95. 254 pagina’s.

Goede Vrijdag en Dantes Divinia Commedia – #WOT

image

De Goddelijke Komedie van Dante opent op Goede Vrijdag in het jubeljaar 1300. De opening van dit magistrale werk waarin de dichter Dante afdaalt naar de hel, speelt in de tijd tussen Goede Vrijdag en Pasen.

Dante volgt daarmee letterlijk de raadselachtige woorden ‘nedergedaald ter helle’. De apostolische geloofsbelijdenis noemt dit de tussenliggende periode tussen de dood van Jezus en zijn opstanding op Paasmorgen.

Zo is deze periode perfect geschikt om Dantes Divinia Commedia te lezen. Voor zover het te redden is dit complexe werk van drie dikke delen in een week tijd door te worstelen. Vooral het laatste en derde deel vraagt veel aandacht vanwege zijn theologische en filosofische diepgang.

Ik lees de beschrijvingen van Dante mondjesmaat en merk dat ik na één Canto weer op adem moet komen. Wat een overdaad aan literatuur.

De afgelopen week gaf mij weer een onverwachte interesse voor het meesterwerk van Dante. Bij mijn afscheid van Ziggo kreeg ik van mijn collega’s prachtige cadeau’s waaronder een boekenbon. Daarvan kocht ik De Goddelijke Komedie in de vertaling van Rob Schouten. Het is de laatste vertaling die in het Nederlands is verschenen.

image

Toeval of niet. Een dag na de aankoop vond ik in de Kringloopwinkel van Naarden de vertaling van Bohl in drie dikke en fraaigebonden delen uit 1894-7. De aankopen wakkerden mijn belangstelling voor Dante weer helemaal aan. Ik zit weer helemaal in hoge literaire sferen, hoe diep de hel van Dante ook is.

Bekijk mijn Overzicht van Dante-vertalingen

#WOT

Vandaag doe ik mee met de #WoT van drspee.nl met als onderwerp Pasen. Dit initiatief is opgezet door @metkcom en daarna door @pixelprinces overgenomen. Ik heb het ook een paar maanden gedaan, totdat @drspee het dit jaar overnam.

Lezen

image

De moeder van de hoofdpersoon in Van Dis’ roman Ik kom terug is gek op lezen. Ze leest meer boeken dan de verteller kan lezen:

In mijn schooltijd, toen ik met lange tanden voor mijn lijst las, haalde zij makkelijk zestig bladzijden per uur. Ik sukkelde tegen de twintig. Liefst las ze een paar boeken tegelijk. (71)

Als een boek te spannend wordt, legt ze het even aan de kant om met een ander boek een beetje af te koelen. Ook leest ze steevast het laatst hoofdstuk van een roman. Je zou dan minder gejaagd lezen.

Boeken verslinden

Ze verslindt het ene boek na het andere, maar blijft ze er enigszins stoïcijns onder:

Terwijl ik De bekentenissen van Zeno alleen maar rokend had kunnen lezen of me om het hoofdstuk moest afrukken bij Ik Jan Cremer, legde zij een roman na lezing onbewogen op de stapel KW – Kan Weg. (72)

Lezen helpt zijn moeder door de moeilijke tijden. De kist met boeken helpt haar in de binnenlanden van Nederlands-Indië om door de eenzaamheid te komen. Het brengt ook de theosofie in haar leven.

Boeken achterhouden

Als ze later een kazerneleven leidt met haar officier, kan ze ook haar boeken uitlenen. De goeie boeken houdt ze achter:

[J]e denkt toch niet dat ik een roman als Rubber durfde uit te lenen? (190)

De boeken helpen haar door de barre tijden heen. In het Jappenkamp zijn ze niet Ik lees er in elk geval niet over in de roman. Wel staan boeken symbool voor het einde van de tijd in Indië als de moeder van de verteller even terug is in het huis waar ze woonde.

Alles verdwenen behalve boeken

Het huis blijkt al jaren in andere handen en alles is verdwenen. Behalve haar boeken. Ze staan niet meer in de kast, maar liggen in een theekist. Als ze een feuilleton van Dickens op schoot neemt en leest, staan er vier jongens in de deuropening.

De voorste liep op me af en rukte het boek uit mijn hand. Nederlandse boeken waren verboden. “Dickens is Engels”, zei ik. Was ook verboden. We spraken Maleis hè, vergeet dat niet. Die jongen smeet het boek op de grond en veegde zijn voeten eraan af. (236)

De haat is diepgeworteld. Het boek moet eraan geloven. Bladzijde na bladzijde scheurt hij uit het boek. De hele vloer ligt bezaaid met gescheurd papier:

‘En op dat moment wist ik het: Indië is voorbij. Voorgoed. Na hun vader verliezen de meisjes ook hun land. Waar horen ze straks nog thuis?’ (236)

De veilige haven van het boek is ineens niet meer zo veilig. Het boek staat symbool voor de overheerser en ze hebben verloren. Ze moeten weg en laten hun boeken verscheurd en vertrapt achter.

Adriaan van Dis: Ik kom terug. Roman. Amsterdam, Antwerpen: Uitgeverij Augustus, 2014. ISBN: 978 90 254 4346 7. Prijs: € 19,99. 288 pagina’s.

Lees ook mijn bespreking van Ik kom terug op Litnet

Alle de Wercken van Focquenbroch – #50books

wpid-20150322_134403.jpgHet oudste boek in mijn boekenkast is het boekwerk Alle de Wercken van Focquenbroch. Het boek uit 1679 bestaat uit drie delen en zit in een onooglijke band, maar het is wel de oorspronkelijke.

De houtsnedes aan het begin van elk deel zijn werkelijk een lust voor het oog, met heel treffende details, waarbij die van de Afrikaanse Thalia buitengewoon gedetailleerd en treffend is verbeeld. Alles zit in deze 3 houtsnedes van de hand van Schoonebeek.

image

Koopman en dichter

Focquenbroch is een koopman en een dichter die veel Latijns werk vertaalde. Dit is ook terug te vinden in het boekje dat ik in bezit heb onder de titel: De Aeneas van Virgilius in sijn Sondaeghs-pack.

Het is een allegaartje van dichtwerk, maar Focquenbroch is van alle markten thuis en reist de hele wereld rond met zijn dichtwerk. Niet alleen Afrika, waar hij een periode werkt en in 1670 ook sterft, maar ook Indië en Japan komen in zijn boek voor.

image

Taalgebruik

Het taalgebruik en vooral de spelling staan wat verder van ons af, maar het is heerlijk om te lezen. Focquenbroch staat bekend als een cynische dichter die veel satire in zijn poëzie verwerkt. Naast gedichten, schreef hij ook toneel (die zitten ook in mijn band uit 1697). De poëzie moet ook vaak gezongen zijn, zoals dit lied:

Wegh wegh ick verlaet het malle Vryen:
Faustina had wel eer mijn ziel bekoort;
Maer door de tijd is die Min gans versmoort,
Nu schyf ick het minnen heel ter syen
Want wie sagh ooyt dat de Min,
Immer aenbracht groot gewin?
‘k Roem voortaen dan mijn geluck,
Want ick draegh geen liefdens juck.

‘k Sal niet meer op liefd van Maegdenhoopen,
Gelijck ick eertijds op Faustina deê:
Neen losse Maegt. ‘k haet de pijn die ick leê,
Des soeck ick de Liefde nu ontloopen.
Want wie sagh ooyt dat de Min,
Immer aenbracht groot gewin?
‘k Roem voortaen dan mijn geluck,
Want ick draegh geen liefdens juck.

Een prachtig lied dat ook nu nog gezongen zou kunnen worden. Ik ken mooie reconstructies van liederen uit zeventiende en achttiende eeuw. Dit lied past daar uitstekend in. De tekst mag dan ver van ons af lijken te staan, maar als je je er een beetje in verdiept, kom je een heel eind.

Zo heb ik in huis iets uit de zeventiende eeuw, een lot uit een boekenlot dat ik voor iets anders had gekocht, blijkt een heel mooi kleinood te bevatten. En ik geniet ervan.

Lees zelf uit het werk van Focquenbroch dat ik in bezit heb op dbnl.nl

#50books

Dit is het tweede antwoord op vraag 12 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Na Martha Pelkman in 2014 heeft Peter het in 2015 weer overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

De bidsprinkhaan

image

De dood van André Brink vorige week vrijdag, bracht bij mij zijn boeken weer onder de aandacht. In 2006 kreeg ik van uitgeverij Meulenhoff een bijzonder boek opgestuurd om te bespreken voor Litnet. Het is het boek De bidsprinkhaan. Een boek dat speelt in Zuid-Afrika ergens tussen 1760 en 1825. Het boek staat al heel lang op mijn verlanglijstje om te lezen.

Veel Nederlandse necrologieën die bij de dood van André Brink vorige week verschenen, vertellen dat de kracht van zijn romans vooral ligt in de periode van de apartheid. Daarna verdween de spanning uit zijn boeken en de boosheid. Gemopper dat in mijn ogen onterecht is. Het getuigt meer van onkunde van de schrijver van de betreffende necrologie voor wie Zuid-Afrika alleen bestaat uit olifanten en apartheid.

Tijdens mijn studie las ik al een historische roman van hem, Een ogenblik in de wind. Het is een innemend liefdesverhaal tussen een blanke Compagniedochter Elsabeth en de zwarte Adam. Het verhaal speelt in de 18e eeuw. Het boek inspireerde Enst Jansz tot het lied ‘Een ogenblik in de wind’.

Daarom deel ik de overtuiging van deze necrologieschrijvers niet. Gelukkig zijn er ook mensen als Toef Jaeger die het latere werk van André Brink wel op waarde weten te schatten. Het draait in zijn latere werk niet zozeer om de strijd tegen de apartheid, alswel om het verschil tussen blank en zwart. Daarvoor duikt hij geregeld de koloniale geschiedenis in.

Een boek als De bidsprinkhaan uit 2005 doet dit ook. André Brink schreef het boek voor zijn zeventigste verjaardag. Het behandelt het verhaal van Kupido Kakkerlak en speelt aan het eind van de achttiende eeuw als Nederland wordt overheerst door de Fransen. De Kaap wordt bedreigd door de Engelsen die azen op de Nederlandse kolonie.

Het is de tijd dat Engelse zendelingen de binnenlanden intrekken, achter de veroveraars aan brengen ze de Khoikhoi en San het evangelie. Het is een roerige periode waarin de Nederlanders worden opgejaagd, net als veel bevolkingsgroepen van de oorspronkelijke bevolking. velen zijn slaven van de Nederlandse overheersers.

Kupido Kakkerlak is een Khoikhoi (of Hottentot zoals de blanken ze noemen). Hij lijkt dood te zijn, maar als een bidsprinkhaan op het pakketje met de dode erin zit, lijkt er een wonder te gebeuren: het bundeltje begint te bewegen: het kind leeft. Dit dit bijzondere begin kan alleen maar van een bijzondere man komen.

Kupido Kakkerlak beschikt over wonderlijke gaven. Zo redt hij zich tegen de leeuwen en vangt het mooiste wild, met hulp van zijn god Heitsi-Eibib. Later trekt hij met de koopman Servaas Ziervogel en door de binnenlanden. Servaas Ziervogel heeft naast allerlei handelswaar ook het geloof bij zich. Zo maakt Kupido kennis met het geloof van de blanken.

Daar trouwt hij met Anna Viglant, een San die heel goed zeep kan maken. Hij sticht zijn gezin op de boerderij aan de voet van de Tandjiesberg. Anna weet weinig raad met de wilde levenshouding van Kupido. Tot het christendom redding biedt. Hij wil zich laten dopen. Anna voelt er niet veel voor, maar als het haar man weerhoudt van drank, vrouwen en geiten, wil ze hem volgen.

Bij de blanke zendelingen leert Kupido lezen en schrijven. Net als dat hij leert bidden en psalmen zingen. Kupido zingt het hardste en valste van allemaal. Ontroerend zijn de brieven aan God die hij schrijft. Read citeert er rijkelijk uit. Het zijn gebeden waarin de bijzondere relatie van Kupido en God heel mooi tot uiting komt.

Kupido schopt het zelf tot evangelist, iets wat weinigen lukt en waar niet iedereen binnen de Engelse zendingsorganisatie het mee eens is. Hij wordt verbannen naar Dithakong met zijn nieuwe vrouw Katryn. Anna is overleden. Het vertrouwen in God en de blanke medemens wordt ernstig op de proef gesteld. De fanatieke gelovige mocht zich in het begin erg afzetten tegen zijn oude geloof, nu keert hij meer en meer terug naar het geloof van zijn ouders.

De bidsprinkhaan is een prachtig verhaal. André Brink bestrijdt daarin niet zozeer de apartheid. Hij stelt veel hogere dingen aan de orde. Zo klinkt met de komst van het evangelie ook de verwoesting door. Het oude land dat er was voordat de blanken er kwamen. Dat land verdwijnt. Het zijn mooie passages waarin Brink het land dat verdwijnt, beschrijft. Er klinkt een enorme liefde in door voor Zuid-Afrika.

André Brink: De bidsprinkhaan. Oorspronkelijke titel: Praying Mantis. Vertaald door Rob van der Veer. Amsterdam: Meulenhoff, 2004. ISBN: 90 290 7760 3. 288 pagina’s.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn bijdrage voor het Prioriteitenkabinet. We lezen vandaag bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nl een boek dat we al langer willen lezen. Lees de bijdragen van anderen in de reacties.

De bidsprinkhaan van André Brink is het 10e boek dat ik in 2015 lees voor de actie: boekperweek.

Buskruitramp

leiden-na-de-buskruitramp-in-1807In een roman over een ramp in hartje Den Haag, midden in de tramtunnel, kan een andere ramp niet onbesproken blijven: de buskruitramp van Leiden. Christiaan Weijts haalt de ramp in het hart van Leiden aan in zijn roman Euforie:

Op een januari waren er in geboortstad 151 doden gevallen na een explosie aan de Steenschuur. Een schip met bijna achttien ton buskruit aan boord blies alle huizen in de wijde omgeving tegen de vlakte. Tientallen jaren bleef het gebied leeg: de Grote Ruïne. (300)

Op de plek waar het schip aangemeerd lag, is het Van der Werfpark verrezen. Aan de overkant staat het imposante Kamerlingh Onnesgebouw. Het gebouw waarin een paar Nobelprijswinnaars werkten is een paar jaar terug heel mooi gerestaureerd. Iets verderop is de Lodewijkkerk die na de ramp weer mooi is herbouwd en een heel bijzonder orgel herbergt.

Voor Christiaan Weijts is het aanleiding te schrijven over het park waarin de hoofdpersoon Johannes Vermeer zijn jeugdliefde Isa zoent. Voor de verteller is het ingebed in een vergelijking waarin het voorjaar explodeert, ‘in inslagkracht verwant aan de opening van Mahlers Eerste.’

De Leidse ramp keerde vaak terug tijdens mijn studie Nederlands in Leiden. Onze docent Peter van Zonneveld vertelde er al over op de eerste studiedag tijdens de rondleiding door de stad. Hij haalde daarbij de brief van Bilderdijk aan die tussen de puinhopen van zijn huis schreef. De docent negentiende-eeuwse letterkunde glimlachte en keek met guitige ogen over zijn leesbrilletje. ‘Terwijl de maar een paar ruiten gesprongen waren.’

De Leidse buskruitramp is in de negentiende eeuw talloze malen bezongen. Het was een nationale ramp van formaat. De net aangetreden koning Lodewijk Napoleon maakte zich verdienstelijk door naar de rampplek te gaan. Het was de eerste keer dat een vorst in Nederland poolshoogte kwam nemen bij een ramp. Sindsdien bezoekt een vorst altijd een rampplek om met eigen ogen de ramp te zien en het volk te steunen en te troosten.

Een tijdje terug vond ik op een boekenbeurs het boekje Het dichterlijk tafereel der stad Leyden van Willem Bilderdijk. Hierin voorziet de grote dichter een gedicht van Robert Hendrik Arnztenius van commentaar. Hij vult de dichtregels aan en voorziet het ook van veel onzin, zo schrijft Marinus van Hattum die het gedicht in zijn uitgave uitvoerig onder de loep neemt.

Bilderdijk weet een gedicht van 370 regels aan te lengen tot 1260 regels. In de drie bijlages spreekt de meester zelf. Hij gebruikt hier niet minder archaïsch taalgebruik:

Ja, Dichtkunst, kerm en schrei, rijt ingewanden open!
Graaf onmeêdogend om in ‘t siddrend, lillend hart!
Gods Englen schreien hier en staan met bloed bedropen.
De taal is zonder kracht; wy smoren in de smart.

Op die puinhopen in het latere Van der Werfpark, zoent de hoofdpersoon Johannes Vermeer in Christiaan Weijts Euforie met het meisje van zijn dromen: Isa.

Christiaan Weijts: Euforie. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers, 2012. ISBN 978 90 295 8627 6. 400 pagina’s.

Bouwspel

image

In Christiaan Weijts roman Euforie draait het op een bijzondere manier om het spel. De prijsvraag die is uitgeschreven om op de rampplek van de 6-juli-ramp in Den Haag een complex van gebouwen te bouwen. Het architectenbureau van Johannes Vermeer doet mee aan de prijsvraag. Het volk mag via een referendum kiezen welk ontwerp het mooiste is.

Johan Huizinga gaat in Homo Ludens kort in op het aspect van de prijsvraag voor een architectonisch ontwerp. Het roept een spelelement op. Hij merkt in zijn boek op dat leerlingen vaak als leerlingstuk een competitie voerden van wie het mooiste stuk maakte. Voor al deze vormen ligt het spel ten grondslag, stelt Huizinga:

Niemand kan uitmaken, in hoeverre bij bepaalde historische gevallen de nuttigheidszin of de agonale hartstocht overwoog, bijvoorbeeld wanneer de stad Florence in 1418 de wedstrijd uitschrijft om de Dom door de koepel te voltooien, die Brunelleschi op dertien mededingers won. Pure nuttigheid beheerste toch in ieder geval het stoute denkbeeld van de koepel niet. (222)

Hier weet Johan Huizinga het spelelement zelfs door te trekken naar de stad zelf. De stad Florence met al zijn pronktorens, die vroeger misschien een defensief doel hadden. De koepel vormt de kroon op een middeleeuwse stad met spelideeën.

Met de architectuurwedstrijd speelt Christiaan Weijts ook in zijn roman Euforie. In zijn boek mag het volk zelfs kiezen via een referendum. Dat daarbij ook veel andere belangen opspelen en het spel een serieus commercieel spel wordt, is onderdeel van het verhaal. Uiteindelijk weet de verteller de naam van de ontwerper los te trekken van het ontwerp. Zo verdwijnt de architect van het speelveld.

Christiaan Weijts: Euforie. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers, 2012. ISBN 978 90 295 8627 6. 400 pagina’s.

Leesdip of schrijfdip? – #50books

image

Er is een tijdje geweest dat lezen lastig ging. Langzaam keerde het terug. Ik las de biografie van Willem Elsschot door Vic van de Reit en werd zo enthousiast dat ik Lijmen/Het been las. Zo keerde het lezen weer langzaam maar zeker terug.

Als ik er iets van leerde, dan is het dit: de leesdoelen komen niet altijd overeen met de leesbehoefte van dat moment. Daarom is het ook goed om soms iets anders te pakken dan een exemplaar uit de stapel nog te lezen boeken.

Zo liet ik het idee losgelaten dat ik bepaalde boeken zou moeten lezen. De gebroeders Karamazov leverde teveel frustratie op. Misschien dat ik het later nog eens probeer. Ook voor de boeken van Dickens moet je in de juiste stemming zijn. Je kunt het niet afdwingen alles van hen te lezen.

Zo pakte ik vorige week weer het boekje Lijmen/Het been. Gewoon omdat ik er weer zin in had. Het kostte mij dit keer best veel moeite om erin te komen. Pas op het moment dat Boorman en Laarmans aankloppen bij de firma Lauwereyssen kreeg het verhaal mij te pakken. Ik lachte mee met de belachelijke situaties en genoot van de rake observaties van Elsschot.

Zo merk ik dat ik het gewoon een beetje ruimte moet geven. Al gaat die vlieger niet altijd op. Soms ben je gewoon te druk met andere dingen om geconcentreerd te lezen. Het wil dan best helpen om een ander boek te pakken en waar je mee bezig was, te laten voor wat het is.

Waar ik overigens wel erg veel last van heb, is dat ik graag over al die boeken die ik lees iets wil schrijven. Dan dringt zich een heel ander probleem op. Ik kom er niet aan toe, begin aan het volgende boek, dat dan ook weer een paar leuke blogjes moet krijgen en dat gaat dan soms best lastig. Dan achtervolgt mij het best en zou ik liever lekker gaan zitten lezen dan erover te schrijven.

Misschien moet ik dat ook oplossen zoals het lezen. Het schrijven even te laten of het bij één bijdrage te houden voordat ik meer ga schrijven.

Tips zijn van harte welkom.

#50books

Dit is het antwoord op vraag 6 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Na Martha Pelkman in 2014 heeft Peter het in 2015 weer overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

Papieren tijgers

image

Heerlijk zijn de essay’s van Gerrit Komrij. In zijn boek Papieren tijgers staan veel bijdragen die de schrijver in de jaren ’70 schreef. Hij schrijft over literatuur, kunst en architectuur. Het accent ligt wel op de literatuur.

Een paar beroemde besprekingen staan erin. Zoals de besprekingen over boeken van Hotz en Mulisch. Vooral de vorm waarin hij de verhalenbundel Dood weermiddel van Hotz bespreekt, is mooi. Komrij krijgt een vriend aan de telefoon maar wil eigenlijk niet gestoord worden, want hij leest zo’n mooi boek. Vervolgens produceert hij de ene loftuiting na de andere.

Maar dat is een uitzondering. Komrij doopt zijn pen regelmatig in vurig gal. Met een groot gevoel voor humor smeert hij zijn kritiek over de literaire boterhammen. Zo schrijft hij over Huub Oosterhuis:

Het is het geraaskal, het gestamel, dat ware poëzie moet suggeren. Het is het gepreek dat je dankzij schijnpoëzie dingen kan vertellen als ‘God is een cirkulatiepunt. God is een knipoog van herkenning.’ Ja, m’n fiets. God is de dynamo van de herdrukken van Oosterhuis. (134)

Komrij schrijft prachtig mee in de metafoor van Huub Oosterhuis, wat erg humoristisch overkomt. Zo passeert een stoet aan joligheid voorbij in de bijdrages van Komrij. In een bijdrage over analfabetisme suggereert de dichter dat je het met analfabetisme best een eind kan schoppen.

Het voorbeeld van André van der Louw bewijst ons dat iemand, zonder ooit en boek te hebben gelezen, nog heel goed een burgemeester kan worden van ‘n middelgrote gemeente. (45)

Heerlijk. Of wanneer hij tevreden vaststelt dat hij dankzij Van Agt eindelijk weet waar hij voor of tegen is. Als Van Agt tegen is, dan is hij voor. Deze methode kun je ook toepassen op de inrichting van je huis. Bedenk welke meubels je vijand in huis heeft en gooi die Oisterwijkse kloostertafel meteen het huis uit. Terloops merkt Komrij op dat die tafel, de Albert Mol onder de meubels is. Altijd beledigend.

Gerrit Komrij: Papieren tijgers. Amsterdam: Uitgever De Arbeiderspers, 1978. ISBN: 90 295 2708 0. 234 pagina’s.