Tagarchief: literatuur

De bidsprinkhaan

image

De dood van André Brink vorige week vrijdag, bracht bij mij zijn boeken weer onder de aandacht. In 2006 kreeg ik van uitgeverij Meulenhoff een bijzonder boek opgestuurd om te bespreken voor Litnet. Het is het boek De bidsprinkhaan. Een boek dat speelt in Zuid-Afrika ergens tussen 1760 en 1825. Het boek staat al heel lang op mijn verlanglijstje om te lezen.

Veel Nederlandse necrologieën die bij de dood van André Brink vorige week verschenen, vertellen dat de kracht van zijn romans vooral ligt in de periode van de apartheid. Daarna verdween de spanning uit zijn boeken en de boosheid. Gemopper dat in mijn ogen onterecht is. Het getuigt meer van onkunde van de schrijver van de betreffende necrologie voor wie Zuid-Afrika alleen bestaat uit olifanten en apartheid.

Tijdens mijn studie las ik al een historische roman van hem, Een ogenblik in de wind. Het is een innemend liefdesverhaal tussen een blanke Compagniedochter Elsabeth en de zwarte Adam. Het verhaal speelt in de 18e eeuw. Het boek inspireerde Enst Jansz tot het lied ‘Een ogenblik in de wind’.

Daarom deel ik de overtuiging van deze necrologieschrijvers niet. Gelukkig zijn er ook mensen als Toef Jaeger die het latere werk van André Brink wel op waarde weten te schatten. Het draait in zijn latere werk niet zozeer om de strijd tegen de apartheid, alswel om het verschil tussen blank en zwart. Daarvoor duikt hij geregeld de koloniale geschiedenis in.

Een boek als De bidsprinkhaan uit 2005 doet dit ook. André Brink schreef het boek voor zijn zeventigste verjaardag. Het behandelt het verhaal van Kupido Kakkerlak en speelt aan het eind van de achttiende eeuw als Nederland wordt overheerst door de Fransen. De Kaap wordt bedreigd door de Engelsen die azen op de Nederlandse kolonie.

Het is de tijd dat Engelse zendelingen de binnenlanden intrekken, achter de veroveraars aan brengen ze de Khoikhoi en San het evangelie. Het is een roerige periode waarin de Nederlanders worden opgejaagd, net als veel bevolkingsgroepen van de oorspronkelijke bevolking. velen zijn slaven van de Nederlandse overheersers.

Kupido Kakkerlak is een Khoikhoi (of Hottentot zoals de blanken ze noemen). Hij lijkt dood te zijn, maar als een bidsprinkhaan op het pakketje met de dode erin zit, lijkt er een wonder te gebeuren: het bundeltje begint te bewegen: het kind leeft. Dit dit bijzondere begin kan alleen maar van een bijzondere man komen.

Kupido Kakkerlak beschikt over wonderlijke gaven. Zo redt hij zich tegen de leeuwen en vangt het mooiste wild, met hulp van zijn god Heitsi-Eibib. Later trekt hij met de koopman Servaas Ziervogel en door de binnenlanden. Servaas Ziervogel heeft naast allerlei handelswaar ook het geloof bij zich. Zo maakt Kupido kennis met het geloof van de blanken.

Daar trouwt hij met Anna Viglant, een San die heel goed zeep kan maken. Hij sticht zijn gezin op de boerderij aan de voet van de Tandjiesberg. Anna weet weinig raad met de wilde levenshouding van Kupido. Tot het christendom redding biedt. Hij wil zich laten dopen. Anna voelt er niet veel voor, maar als het haar man weerhoudt van drank, vrouwen en geiten, wil ze hem volgen.

Bij de blanke zendelingen leert Kupido lezen en schrijven. Net als dat hij leert bidden en psalmen zingen. Kupido zingt het hardste en valste van allemaal. Ontroerend zijn de brieven aan God die hij schrijft. Read citeert er rijkelijk uit. Het zijn gebeden waarin de bijzondere relatie van Kupido en God heel mooi tot uiting komt.

Kupido schopt het zelf tot evangelist, iets wat weinigen lukt en waar niet iedereen binnen de Engelse zendingsorganisatie het mee eens is. Hij wordt verbannen naar Dithakong met zijn nieuwe vrouw Katryn. Anna is overleden. Het vertrouwen in God en de blanke medemens wordt ernstig op de proef gesteld. De fanatieke gelovige mocht zich in het begin erg afzetten tegen zijn oude geloof, nu keert hij meer en meer terug naar het geloof van zijn ouders.

De bidsprinkhaan is een prachtig verhaal. André Brink bestrijdt daarin niet zozeer de apartheid. Hij stelt veel hogere dingen aan de orde. Zo klinkt met de komst van het evangelie ook de verwoesting door. Het oude land dat er was voordat de blanken er kwamen. Dat land verdwijnt. Het zijn mooie passages waarin Brink het land dat verdwijnt, beschrijft. Er klinkt een enorme liefde in door voor Zuid-Afrika.

André Brink: De bidsprinkhaan. Oorspronkelijke titel: Praying Mantis. Vertaald door Rob van der Veer. Amsterdam: Meulenhoff, 2004. ISBN: 90 290 7760 3. 288 pagina’s.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn bijdrage voor het Prioriteitenkabinet. We lezen vandaag bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nl een boek dat we al langer willen lezen. Lees de bijdragen van anderen in de reacties.

De bidsprinkhaan van André Brink is het 10e boek dat ik in 2015 lees voor de actie: boekperweek.

Buskruitramp

leiden-na-de-buskruitramp-in-1807In een roman over een ramp in hartje Den Haag, midden in de tramtunnel, kan een andere ramp niet onbesproken blijven: de buskruitramp van Leiden. Christiaan Weijts haalt de ramp in het hart van Leiden aan in zijn roman Euforie:

Op een januari waren er in geboortstad 151 doden gevallen na een explosie aan de Steenschuur. Een schip met bijna achttien ton buskruit aan boord blies alle huizen in de wijde omgeving tegen de vlakte. Tientallen jaren bleef het gebied leeg: de Grote Ruïne. (300)

Op de plek waar het schip aangemeerd lag, is het Van der Werfpark verrezen. Aan de overkant staat het imposante Kamerlingh Onnesgebouw. Het gebouw waarin een paar Nobelprijswinnaars werkten is een paar jaar terug heel mooi gerestaureerd. Iets verderop is de Lodewijkkerk die na de ramp weer mooi is herbouwd en een heel bijzonder orgel herbergt.

Voor Christiaan Weijts is het aanleiding te schrijven over het park waarin de hoofdpersoon Johannes Vermeer zijn jeugdliefde Isa zoent. Voor de verteller is het ingebed in een vergelijking waarin het voorjaar explodeert, ‘in inslagkracht verwant aan de opening van Mahlers Eerste.’

De Leidse ramp keerde vaak terug tijdens mijn studie Nederlands in Leiden. Onze docent Peter van Zonneveld vertelde er al over op de eerste studiedag tijdens de rondleiding door de stad. Hij haalde daarbij de brief van Bilderdijk aan die tussen de puinhopen van zijn huis schreef. De docent negentiende-eeuwse letterkunde glimlachte en keek met guitige ogen over zijn leesbrilletje. ‘Terwijl de maar een paar ruiten gesprongen waren.’

De Leidse buskruitramp is in de negentiende eeuw talloze malen bezongen. Het was een nationale ramp van formaat. De net aangetreden koning Lodewijk Napoleon maakte zich verdienstelijk door naar de rampplek te gaan. Het was de eerste keer dat een vorst in Nederland poolshoogte kwam nemen bij een ramp. Sindsdien bezoekt een vorst altijd een rampplek om met eigen ogen de ramp te zien en het volk te steunen en te troosten.

Een tijdje terug vond ik op een boekenbeurs het boekje Het dichterlijk tafereel der stad Leyden van Willem Bilderdijk. Hierin voorziet de grote dichter een gedicht van Robert Hendrik Arnztenius van commentaar. Hij vult de dichtregels aan en voorziet het ook van veel onzin, zo schrijft Marinus van Hattum die het gedicht in zijn uitgave uitvoerig onder de loep neemt.

Bilderdijk weet een gedicht van 370 regels aan te lengen tot 1260 regels. In de drie bijlages spreekt de meester zelf. Hij gebruikt hier niet minder archaïsch taalgebruik:

Ja, Dichtkunst, kerm en schrei, rijt ingewanden open!
Graaf onmeêdogend om in ‘t siddrend, lillend hart!
Gods Englen schreien hier en staan met bloed bedropen.
De taal is zonder kracht; wy smoren in de smart.

Op die puinhopen in het latere Van der Werfpark, zoent de hoofdpersoon Johannes Vermeer in Christiaan Weijts Euforie met het meisje van zijn dromen: Isa.

Christiaan Weijts: Euforie. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers, 2012. ISBN 978 90 295 8627 6. 400 pagina’s.

Bouwspel

image

In Christiaan Weijts roman Euforie draait het op een bijzondere manier om het spel. De prijsvraag die is uitgeschreven om op de rampplek van de 6-juli-ramp in Den Haag een complex van gebouwen te bouwen. Het architectenbureau van Johannes Vermeer doet mee aan de prijsvraag. Het volk mag via een referendum kiezen welk ontwerp het mooiste is.

Johan Huizinga gaat in Homo Ludens kort in op het aspect van de prijsvraag voor een architectonisch ontwerp. Het roept een spelelement op. Hij merkt in zijn boek op dat leerlingen vaak als leerlingstuk een competitie voerden van wie het mooiste stuk maakte. Voor al deze vormen ligt het spel ten grondslag, stelt Huizinga:

Niemand kan uitmaken, in hoeverre bij bepaalde historische gevallen de nuttigheidszin of de agonale hartstocht overwoog, bijvoorbeeld wanneer de stad Florence in 1418 de wedstrijd uitschrijft om de Dom door de koepel te voltooien, die Brunelleschi op dertien mededingers won. Pure nuttigheid beheerste toch in ieder geval het stoute denkbeeld van de koepel niet. (222)

Hier weet Johan Huizinga het spelelement zelfs door te trekken naar de stad zelf. De stad Florence met al zijn pronktorens, die vroeger misschien een defensief doel hadden. De koepel vormt de kroon op een middeleeuwse stad met spelideeën.

Met de architectuurwedstrijd speelt Christiaan Weijts ook in zijn roman Euforie. In zijn boek mag het volk zelfs kiezen via een referendum. Dat daarbij ook veel andere belangen opspelen en het spel een serieus commercieel spel wordt, is onderdeel van het verhaal. Uiteindelijk weet de verteller de naam van de ontwerper los te trekken van het ontwerp. Zo verdwijnt de architect van het speelveld.

Christiaan Weijts: Euforie. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers, 2012. ISBN 978 90 295 8627 6. 400 pagina’s.

Leesdip of schrijfdip? – #50books

image

Er is een tijdje geweest dat lezen lastig ging. Langzaam keerde het terug. Ik las de biografie van Willem Elsschot door Vic van de Reit en werd zo enthousiast dat ik Lijmen/Het been las. Zo keerde het lezen weer langzaam maar zeker terug.

Als ik er iets van leerde, dan is het dit: de leesdoelen komen niet altijd overeen met de leesbehoefte van dat moment. Daarom is het ook goed om soms iets anders te pakken dan een exemplaar uit de stapel nog te lezen boeken.

Zo liet ik het idee losgelaten dat ik bepaalde boeken zou moeten lezen. De gebroeders Karamazov leverde teveel frustratie op. Misschien dat ik het later nog eens probeer. Ook voor de boeken van Dickens moet je in de juiste stemming zijn. Je kunt het niet afdwingen alles van hen te lezen.

Zo pakte ik vorige week weer het boekje Lijmen/Het been. Gewoon omdat ik er weer zin in had. Het kostte mij dit keer best veel moeite om erin te komen. Pas op het moment dat Boorman en Laarmans aankloppen bij de firma Lauwereyssen kreeg het verhaal mij te pakken. Ik lachte mee met de belachelijke situaties en genoot van de rake observaties van Elsschot.

Zo merk ik dat ik het gewoon een beetje ruimte moet geven. Al gaat die vlieger niet altijd op. Soms ben je gewoon te druk met andere dingen om geconcentreerd te lezen. Het wil dan best helpen om een ander boek te pakken en waar je mee bezig was, te laten voor wat het is.

Waar ik overigens wel erg veel last van heb, is dat ik graag over al die boeken die ik lees iets wil schrijven. Dan dringt zich een heel ander probleem op. Ik kom er niet aan toe, begin aan het volgende boek, dat dan ook weer een paar leuke blogjes moet krijgen en dat gaat dan soms best lastig. Dan achtervolgt mij het best en zou ik liever lekker gaan zitten lezen dan erover te schrijven.

Misschien moet ik dat ook oplossen zoals het lezen. Het schrijven even te laten of het bij één bijdrage te houden voordat ik meer ga schrijven.

Tips zijn van harte welkom.

#50books

Dit is het antwoord op vraag 6 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Na Martha Pelkman in 2014 heeft Peter het in 2015 weer overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

Papieren tijgers

image

Heerlijk zijn de essay’s van Gerrit Komrij. In zijn boek Papieren tijgers staan veel bijdragen die de schrijver in de jaren ’70 schreef. Hij schrijft over literatuur, kunst en architectuur. Het accent ligt wel op de literatuur.

Een paar beroemde besprekingen staan erin. Zoals de besprekingen over boeken van Hotz en Mulisch. Vooral de vorm waarin hij de verhalenbundel Dood weermiddel van Hotz bespreekt, is mooi. Komrij krijgt een vriend aan de telefoon maar wil eigenlijk niet gestoord worden, want hij leest zo’n mooi boek. Vervolgens produceert hij de ene loftuiting na de andere.

Maar dat is een uitzondering. Komrij doopt zijn pen regelmatig in vurig gal. Met een groot gevoel voor humor smeert hij zijn kritiek over de literaire boterhammen. Zo schrijft hij over Huub Oosterhuis:

Het is het geraaskal, het gestamel, dat ware poëzie moet suggeren. Het is het gepreek dat je dankzij schijnpoëzie dingen kan vertellen als ‘God is een cirkulatiepunt. God is een knipoog van herkenning.’ Ja, m’n fiets. God is de dynamo van de herdrukken van Oosterhuis. (134)

Komrij schrijft prachtig mee in de metafoor van Huub Oosterhuis, wat erg humoristisch overkomt. Zo passeert een stoet aan joligheid voorbij in de bijdrages van Komrij. In een bijdrage over analfabetisme suggereert de dichter dat je het met analfabetisme best een eind kan schoppen.

Het voorbeeld van André van der Louw bewijst ons dat iemand, zonder ooit en boek te hebben gelezen, nog heel goed een burgemeester kan worden van ‘n middelgrote gemeente. (45)

Heerlijk. Of wanneer hij tevreden vaststelt dat hij dankzij Van Agt eindelijk weet waar hij voor of tegen is. Als Van Agt tegen is, dan is hij voor. Deze methode kun je ook toepassen op de inrichting van je huis. Bedenk welke meubels je vijand in huis heeft en gooi die Oisterwijkse kloostertafel meteen het huis uit. Terloops merkt Komrij op dat die tafel, de Albert Mol onder de meubels is. Altijd beledigend.

Gerrit Komrij: Papieren tijgers. Amsterdam: Uitgever De Arbeiderspers, 1978. ISBN: 90 295 2708 0. 234 pagina’s.

Schuldig en onschuldig

image

Hoe schuldig is de hoofdpersoon Jakob Duikelman eigenlijk? Het is de vraag die mij bekruipt bij het lezen van Anne-Marieke Samsons debuutroman De val van Jakob Duikelman. Duikelman is een leugenaar, maar liegt hij zijn hele wereld bij elkaar of werkt hij zich in de nesten omdat hij een paar dingen verzwijgt?

Voor mij is Jakob Duikelman een sympathiek personage die zich ongelooflijk in de nesten werkt. Maar in de kern is hij niet verkeerd. Nee dan de oorlogsmisdadiger BeeFree. Hij palmt eerst Duikelmans dochter Disi erin. Daarna zet hij zijn zinnen op de buitengewoon opsporingsambtenaar voor de afdeling Oorlogsmisdaden van het Openbaar Ministerie.

Het verhoor waaraan Jakob de Nigeriaan onderwerpt, lijkt in eerste instantie een eitje voor de gedreven ambtenaar. Maar de schijn bedriegt. Hier zit een bedreven rasmanipulator tegenover hem. Be Free hoeft geen tolk:

Jakob heeft dit vaker meegemaakt. Hij spreekt natuurlijk beroerd Nederlands en probeert het verhoor te saboteren door geen tolk te laten komen. Dat Planning daarin is getrapt vindt hij te stom voor woorden. Een beginnersfout. (193)

Maar zo stom is de Nigeriaan niet. Hij is een manipulator en laat zijn prooi mooi in de val lopen. Dat de buitengewoon opsporingsambtenaar het vervolgens extra moet bekopen doordat hij nog verder in de val stapt, is zijn eigen fout.

Maar is een fout maken ook schuldig zijn?

Anne-Marieke Samson De val van Jakob Duikelman. Amsterdam, Antwerpen: Uitgeverij De Arbeiderspers, 2014. ISBN 987 90 295 8950 5. Prijs: € 19,95. 272 pagina’s.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn bijdrage over De val van Jakob Duikelman van Anne-Marieke Samson. We lezen dit boek op vandaag bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nlLees de bijdragen van anderen in de reacties.

Lees mijn bespreking van De val van Jakob Duikelman op Litnet

De barmhartigen

image

De roman De barmhartigen van Koen van Wichelen bestaat uit twee romans. De eerste roman draagt dezelfde titel. Het vertelt over de lotgevallen van David Sores. Hij is een drankzuchtige veertiger, ligt in scheiding en zit zonder werk thuis.

Het leven ziet er best hopeloos uit. Als hij helemaal doorslaat op het verjaardagsfeestje van zijn zoon, komt hij tot inkeer. Een dag na het incident slaat hij in zijn kroeg de krant open en doet de zelftest: welk seizoentype ben jij. Hij leest daar de boodschap:

‘Stop met zeuren! Het leven lacht je toe en het is hoog tijd voor een nieuw begin. Waar wacht je nog op? Zoek een nieuw lief, koop een motorfiets en maak samen een wereldreis. Of schrijft eens een boek!’ (51)

Hij doet het laatste en trekt zich terug:

In zijn schrijfhok annex berging, die voor de helft staat volgestouwd met kartonnen verhuisdozen, die hij na al die maanden nog steeds niet heeft uitgepakt. Omdat hij net als zijn zoon Simon stiekem blijft hopen dat het toch nog goed komt met Jenny. (57)

Gelukkig vertelt de verteller zo min mogelijk over het schrijfproces. David Sores drinkt geen druppel bij het schrijven. Wel komen de verleidingen als hij zijn eerste versie heeft opgestuurd naar de uitgeverij. Hij moet het boek voor de kerstdagen hebben herschreven.

Tv-tycoon

Uitgerekend dan weet zijn oude studiegenoot en tv-tycoon Lars Gulicher hem te vinden voor een dringende klus: het levensverhaal schrijven van Margot Timmins, de ravissante, immens populaire, aan drank en pillen verslaafde ankervrouw van het TVS-journaal. David Sores houdt haar af van dit krankzinnige idee en gaat onverdroten verder met zijn eigen missie: het schrijven van de roman Hij was mijn vader.

Over de inhoud van deze roman vertelt de verteller niet veel. De rest van deze eerste, 268 pagina’s beslaande roman, gaat over de uitwerking van het boek na publicatie. Zijn twee neven Benny en Björn slaan namelijk David Sores in elkaar in een boekhandel in het Noorden. De aanleiding is het boek dat hij schreef.

Strenggelovige Noorden

De roman Hij was mijn vader volgt over De barmhartigen verhaalt over het strenggelovige Noorden en ook zijn twee neven komen in het verhaal voor. Ze vinden dat hij zijn familie en zijn volk te schande maakt: ‘God zal je straffen. Familie is heilig. Familie is alles.’ En ze verbranden zijn boek.

Dat deze aanval door een regionale televisieomroep wordt gefilmd, zorgt voor landelijke ophef. Hier wordt de vrijheid van meningsuiting aangetast. Zijn boek wordt een doorslaand succes en beleeft herdruk na herdruk. David Sores ontworstelt zich uit de neergaande spiraal waarin hij leefde. Het boek als ultiemste vorm van therapie.

Koen van Wichelen De barmhartigen. Antwerpen: Uitgeverij Manteau, 2014. ISBN 978 90 223 2994 8. Prijs: € 21,99. 320 pagina’s.

Blogtournee

Deze bijdrage is mijn inleiding voor het blogtournee georganiseerd door de uitgever Manteau. De hele maand januari lezen verschillende bloggers dit bijzondere boek en schrijven er op hun blog over. Morgen komt mijn hoofdbijdrage over dit bijzondere boek.

Waarzegger

image

Wat ik één van de meest aangrijpende scènes in De grote goede dingen vindt, is de herinnering aan het bezoek aan de kermis. De kleine Mila gaat met haar vader naar de kermis. Ze wil heel graag naar de waarzegger, maar ze mag niet. Ze is te jong. Dan vraagt Mila aan haar vader of hij niet naar binnen wil.

Hij deed alles wat ik wilde. Terwijl ik buiten stond te wachten had ik een naar gevoel gekregen. Mijn vader moest daar weg en vlug ook, maar ik durfde hem niet te waarschuwen. (122)

Als hij naar buiten komt, merkt ze dat er iets niet goedzit. Ze vraagt hem wat de waarzegger tegen haar vader heeft gezegd:

‘Niet, dat ik een hele leuke opa ga worden.’ (122)

Na deze gebeurtenis denkt Mila dat mensen tegen haar liegen om haar te sparen. Maar pas veel later ontdekt ze dat mensen ook liegen om zichzelf te sparen. Het is een prachtig moment die zomaar in het verhaal komt. Dit soort passages geven de roman veel meerwaarde.

Alma Mathijsen De grote goede dingen Amsterdam: De bezige bij, 2014. ISBN 987 94 234 8844 6. Prijs: € 17,90. 176 pagina’s.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn derde bijdrage over De grote goede dingen van Alma Mathijsen. We lezen dit boek op vandaag bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nlLees de bijdragen van anderen in de reacties.

Conrads Hart der duisternis

image

Na het lezen van Redmond O’Hanlons Congo en Dark Star Safari van Paul Theroux pakte ik er Joseph Conrads Hart der duisternis weer bij. Ik las het tijdens mijn studie voor een college over koloniale literatuur. Het boek behoort tot de klassiekers van de Engelstalige literatuur.

Zoals vaker gebeurt levert de koloniale literatuur een klassieker op voor de hele literatuur. Hetzelfde is in Nederland het geval bij de Max Havelaar en Stille kracht. De confrontatie met de andere cultuur vraagt een nieuwe manier van kijken naar jezelf en de ander.

Veel Afrika-reizigers koesteren een grote liefde voor Conrads Hart der duisternis. Misschien dat de verwoording van de angsten hen aanspreekt. Mogelijk de verhaallijn van de observerende kapitein Marlow. Of de brute daden van meneer Kurtz, zodat je je afvraagt wie de wilde is. Zo wordt het boek meer dan een koloniaal boek. Het grijpt tot in de diepste zielenroerselen van de mens.

Ik heb de vertaling van Bas Heijne gelezen. Een boeiende vertaling die volgens de vertaler zelf het midden houdt tussen vrij en letterlijk. Een vertaling zoals het moet.

Het verhaal begint op een schip dat in de monding van de Theems ligt. Charlie Marlow zit daar met een groepje mannen op het dek. Ze wachten op een gunstige wind. De zee verbindt de heren. Terwijl ze zo de zon in de zee zien zakken, begint Marlow te praten over zijn ervaringen in Congo.

Hij krijgt een aanstelling als schipper op een rivierstomer, maar bij aankomst blijkt de stomer op de bodem van de rivier te liggen. Hij probeert hem weer te repareren, maar de noodzakelijke materialen – klinknagels – ontbreken. Terwijl hij eerder op zijn reis overal klinknagels zag liggen, zijn ze hier nergens te vinden. Hij legt zich erbij neer.

Verderop in het boek vaart hij op de rivierstomer. Hoe hij tot deze daad is gekomen, blijft achterwege. De vaartocht voert naar de buitenpost van meneer Kurtz. Overal heerst de dreiging. Zeker als ze vanaf de over worden aangevallen door wilden.

Dat eigenlijk Kurtz achter deze aanval zit en deze despoot een hele greep van die wilden in bedwang heeft, blijkt later pas. De schedels rond zijn verblijf getuigen van zijn daden:

Ze zouden nog meer indruk gemaakt hebben, deze hoofden op de staken, als ze niet met hun gezichten naar het huis toegekeerd hadden gestaan. Slechts één ervan, degene die me als eerste was opgevallen, keek mijn kant op. (102)

Als hij tevergeefs de zieke Kurtz uit de rimboe haalt, bezoekt hij later Kurtz’ verloofde en verzint zijn laatste woorden omdat de waarheid te hard is. Dat terwijl het voor Marlow een raadsel is wat Kurtz nu eigenlijk precies van beroep was:

“Hij had het in zich om heel groot te worden,” zei de man, die geloof ik organist was, met sluik grijs haar dat over een vettige jaskraag viel. Er was voor mij geen reden om aan zijn woorden te twijfelen en tot op de dag van vandaag kan ik niet zeggen wat Kurtz’ van beroep was, of hij er ooit wel een had – en welk van zijn talenten het grootst was. (128)

Het zo blijft het verdere leven van deze schurk een groot raadsel en lukt het de verteller Marlow niet om de schurk een menselijk gezicht te geven. En juist dat is de kracht van het verhaal, het ontbreken van een waardeoordeel van de verteller Marlow. Hij vertelt alleen maar het verhaal over zijn zoektocht naar Kurtz en daarbij verhaalt hij over de diepe, rauwe kant van de mens.

En dat verklaart de liefde voor het verhaal zoals reizigers als Redmond O’Hanlon en Paul Theroux dat hebben. Het lukt mij nog niet helemaal door te dringen in het verhaal. Waarschijnlijk is dat de kracht van Joseph Conrads roman.

Joseph Conrad: Hart der duisternis Oorspronkelijke tekst: Heart of Darkness. Vertaling en nawoord Bas Heijne. 2e druk. Uitgeverij Contact (Pandora Pocket), 1997. ISBN 90 254 5725 8. 144 pagina’s.

Proust

image

De tijd verglijdt in de roman Ik neem toch een hond van Marjan Berk. De hoofdpersoon merkt het ook. Ze merkt dat ze langzaam vergeetachtig wordt.

Op een avond staat ze in Olst voor een donkere dichte bibliotheekdeur terwijl ze dacht er columns te moeten voorlezen. Een voorbijganger roept haar toe dat ze een dag te vroeg is. Tot haar schrik merkt ze dat ze die avond in Delfzijl een groep vrouwen moest toespreken. Zou ze echt vergeetachtig worden?

Het verglijden van de tijd illustreert Marjan Berk het mooiste in het noemen van Marcel Prousts romancyclus À la recherche du temps perdu. Zelf komt de hoofdpersoon Lena Steketee niet zover:

Lena was voor de zoveelste keer aan Proust begonnen, ze kwam al jarenlang nooit verder dan de passage waarin de grootmoeder een rondje om de kerk liep. Dan was de vakantie weer voorbij en wachtte Proust op de volgende vakantie. (42)

Later bezoekt ze in Parijs met een vriendin nog snel een museum om de verzamelde manuscripten en brieven van de Franse schrijver te bewonderen. Zogenaamd om het verblijf in de Franse hoofdstad nog een cultureel tintje te geven.

Het lukt haar schoonmoeder wel om door een deel van Prousts magnum opus te komen. De gretige lezer kon de boeken van de Franse romanschrijver wel waarderen.

Zelfs Proust werd door haar ijverig verorberd: ‘Mooi boek!’ zei ze enthousiast, toen ze drie delen van de verloren tijd had doorgewerkt. (112)

Daarmee wordt de romancyclus van Marcel Proust het symbool van de verloren tijd. Hoe de ouderdom komt en het grote levenswerk van de Franse schrijver maar niet gelezen wordt. Zelfs haar schoonmoeder heeft het gelezen, maar Lena Steketee komt er maar niet aan toe.

Marjan Berk: Ik neem toch een hond Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2011. ISBN 987 90 450 6777 3. 134 pagina’s.