Dag, dag allemaal, het spelen is alweer voorbij, dag, dag allemaal, tot de volgende keer, volgende keer dan zie ik je weer. Zo luidt het liedje dat we altijd zingen als de peuterspeelzaal uit is. Vandaag was het eindfeest van De Pierewiet waar Doris naartoe gaat. Ik mocht als vader meehelpen de kinderen te begeleiden bij de activiteiten.

Daar komt nog heel wat bij kijken. Zo wilde het jongetje Ryan gelijk gaan schminken. Een plastic zakje met een potje geel lag klaar en ik mocht het spul op de wangetjes smeren. Je zag nauwelijks het geel op zijn gezicht, want alles was zo droog als kurk. Ook bij het zwarte meisje kreeg ik het geel nauwelijks zichtbaar, evenals op de wangen van mijn Doris. Ze vonden het leuk en lachten in de spiegel om mijn verrichtingen.
Ik was aan het bowlen toen een ander jongetje mij aantikte met een gezicht dat alle kleuren van de regenboog had. Een moeder was druk aan het kliederen met een bak met waterverf. ‘Hier schiet een man in tekort’, dacht ik.

Bij het patatjes eten kwamen de verhalen los. ‘Ik lust geen komkommer’, beweerde hij, ‘Justin wel.’ ‘Is Justin je broer?’ vroeg ik. Hij knikte ter bevestiging. ‘Mijn Justin ook’, zei een jongetje een tafel verder. ‘heb jij ook een broer die Justin heet?’ vroeg ik. ‘Ja,’ zei hij, ‘maar dat is een andere Justin, mijn Justin.’ ‘Wat toevallig.’ ‘Ik heb mijn Justin’, riep een meisje naast het Justin-jongetje. ‘Mijn Justin ook’, vervolgde een ander kind. ‘Mijn Justin ook’, hoorde ik naast mij klinken. Binnen de kortste keren ontstond er een hele Justin-rage. ‘Het is wat met al die Justins’, zei ik in de poging een einde aan de gekte te maken. ‘Ja, het zijn allemaal Justins’, merkte het Justin-jongetje droogjes op. Ik genoot van de taal, waarin gesproken wordt over Mijn Justin, of Onze Ashlee, of Melvin van mij, of Katelinn van Dingetje. Ik heb het niet zo om Engelse voornamen, zeker niet als de ouders ze zelf niet eens uit kunnen spreken, maar van Justin genoot ik echt eventjes.

De patatjes met komkommer waren op, we speelden Djembe en de dag was ten einde. De leidster vond ergens dat ik er mijn beroep van moest maken, zo goed ging het. Ze had het tegen mij, maar later ook tegen Inge gezegd. Ik voelde me zeer vereerd, maar twijfel of het echt mijn ding is. Wel bevreemd het mij dat uitgerekend vrouwen dit werk doen, terwijl een man met peuters en kleuters de kinderen weer heel andere dingen kan aanleren. Het is dezelfde verbazing die ik laatst las van een feministe. Zij beweerde dat ze niet een vrouw was, maar dat dit van haar gemaakt zou zijn. Ik vind dat je dan je chromosomen verwaarloosd, maar ergens heeft ze gelijk. Dat begint al op de peuterspeelzaal, of misschien zelfs eerder. Net zoiets als mijn moeder gisteren die beweerde dat Doris met de pop in de hand, nu een echt meisje was.