Tot voor kort dacht ik dat schrijvers arme sloebers waren en voor elke habbekrats zouden gaan. Hoe groot was mijn verbazing toen ik las dat Jeroen Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren weigert omdat het geldbedrag een schijntje zou zijn. Voor 16.000 euro komt de schrijver zijn huis niet uit. ‘Je wordt naar de Parnassus getild en afgescheept met een aalmoes’, aldus de weigeraar.
Wat verwacht Brouwers? Dat hij tonnen krijgt toebedeeld en vanaf dat moment nooit meer een boek hoeft te schrijven. Hij zal juist moeten blijven schrijven, vind ik. Geld of geen geld, schrijven staat los van materie. De vraag of je schrijft voor de eer of het geld, is overigens niet nieuw. De schrijver van de Beatrijs opent er zelfs zijn verhaal mee:

Van dichten comt mi cleine bate.
Die liede raden mi dat ict late
Ende minen sin niet en vertare.

Hij schrijft omdat hij dit verhaal moet vertellen. Het is een van de mooiste stukjes uit de Middelnederlandse literatuur. Iets waar Brouwers een voorbeeld aan moet stellen, ophalen die prijs en de habbekrats van 16 mille geven aan een goed doel. Desnoods voor de zeehondjes.