Hij is er nooit geweest, maar kende Nederlands-Indië op zijn duimpje. De Dordtenaar Pieter Johannes Veth kende de Nederlandse kolonie alleen uit de boeken. Een raar idee, want de man wist heel veel van Insulinde, schreef zelfs het allesomvattende werk Java (in vier banden). Dit boek is in zekere zin uitgebreider dan Junghuhns Java. Veth besteedt meer aandacht aan de etnografie en historie van het eiland. Junghuhn blijft vooral steken in de beschrijvingen van alle vulkanen op Java.
Ik heb de biografie van Paul van der Velde er maar eens op opengeslagen. Van der Velde vindt het flauw om Veth als een kamergeleerde te zien. Onzin, schrijft hij. ‘Veth was zeker geen kamergeleerde, want regelmatig verliet hij de droombibliotheek van het ‘Instituut Veth’, om voor volle zalen, weliswaar niet met luide stem maar wel met hard en ziel, zijn ideeën en plannen wereldkundig te maken.’ (Van der Velde, 327)
De kamergeleerde verdedigt de kamergeleerde. Het stuit mij een beetje tegen de borst. Vooral ook omdat hij geen woord over Junghuhn rept. Dat terwijl ze tijdgenoten waren. Junghuhn had het niet zo op die geleerden die Indie alleen uit boeken kende. Hij fulmineerde er wild tegen. Met name aan het einde van zijn Terugreis. Hier haalt hij flink uit naar de Leidse professoren.
Ook leuk om te lezen is het moment van de wereldtentoonstelling. Op voorstel van zijn zoon Daniel laat hij bij de achtste wereldtentoonstelling een twaalftal woningen met veertig bewoners uit de archipel, compleet met huisdieren overbrengen. Het levert een interessante confrontatie op voor Veth, die Indie alleen uit de boekjes kende. De muziek van de ronggengs kon hij niet waarderen: ‘Al wie ooit het gegil der ronggengs, al was het slechts op de Koloniale tentoonstelling van 1883 te Amsterdam, gehoord heeft, zal kunnen nagaan wat dat beteekent.’ (naar Van der Velde, 282)
Overigens is Veth niet de enige die schrijft zonder in de archipel te zijn geweest. De romantische dichter Hofdijk, baseerde zijn gedichten over Indie ook op de boeken van geleerden. Dat de gedichten niet doorleefd zijn, staat buiten kijf. Ze geven een impressie en daar is alles mee gezegd.