Ik blader wat door de nieuwste dichtbundel van Leo Vroman Nee, nog niet dood. Vromans gedichten leveren vaak een chemische reactie op, zoals het gedicht ‘Late liefde’:

Om op een avond, gelokt door het wit
van een tafellaken een huis in te dringen
en die kamer in van vreemdelingen
waar nog niemand aan tafel zit,

en op hun lege etensborden
mijn vleselijke maar gare dingen
neer te vlijen en men komt eten

dat is minstens net zo goed
als echt gelezen worden
door wie ik nooit heb ontmoet.

Geloof maar dat ik het zal weten
als je wat regels uit een gedicht
van mij oudbakken bot gelicht
bij je naar binnen werkt

Geloof maar dat iets van mij dat merkt.
Dan ben je zoveel dichter bij.
Niet bij die dichter, maar bij mij.

Zo’n gedicht kan ik eindeloos lezen. Het slingert mij tussen metafoor, gedicht en de ‘ik’. Van het tafellaken naar de dichter en dan terug naar de ik, die zich zo liefdevol in een gedicht verstopt. Ik laat me daar dan echt in meevoeren.

De naam van de bundel ademt de sfeer van een tweeennegentig-jarige dichter. Elke ochtend wakker te worden met de blijdschap dat je nog niet dood bent. De dagen gaan snel voorbij in het gedicht ‘Een psalm voor vandaag en morgen’:

waardoor lijkt mijn vandaag zo kort
dat morgen er gisteren wordt?
Heb ik iets overgeslagen.

De dood kwam in Finkers’ voorstelling van zaterdag ook heel dichtbij. Soms voelde ik hem echt om mij heen, maar de dreiging voelde niet beangstigend. Zeker ook door de humor die Finkers erbij haalde. In veel opzichten sluit de bundel van Vroman hier bij aan. Dezelfde gelatenheid en openheid, en ook prachtige kwinkslagen. Een bundel om lief te hebben.

Nee, nog niet dood laat zien dat Vroman een dichter van formaat is, net zoals zijn vorige bundel Tweede verschiet uit 2003. Het klimmen der jaren vormt hierbij geen beletsel, maar zelfs een inspiratiebron.