De trein reed heel hoorbaar evenwijdig aan mij. Ik fietste zojuist langs de spoorbaan naar huis. Ik hoorde de trein niet alleen heel sterk, ik zag hem ook overduidelijk aan mij voorbij trekken.
Het was met niet zo opgevallen, maar nu zag ik dat de rij populieren langs de spoordijk was gekapt. Een treurig gezicht hoe de hoge windvangers mij het zicht niet meer ontnamen. Hoe het treingeel niet meer wegviel achter een gordijn van stammen en takken. Hoe de windruis zich liet vervangen door het suizen van de trein.
Ik dacht aan de gevelde boom in het Vondelpark van Vasalis en stapte over op de rij peppels, om mij oud woonhuis. Of de ijle rijen die oneindig met de fiere pluimen aan de einder staan. Poëzie genoeg, maar het onbegrip over de populier heerst.
Ik maakte hier twee zomers mee waarin de pluizen om je oren sneeuwden. Het Manifestatieveld bij mij achter telde tot dit najaar een honderdtal van die hoge joekels. Prachtig gezicht, vooral bij storm, de wind leek door het gebulder in de takken tien windkrachten sterker. Alleen die pluisjes zorgen voor veel overlast die paar weken in mei.
Wanneer de heren stedenplanners beter nagedacht hadden en niet voor het geld gekozen hadden, was het leed opgelost door de veel duurdere mannetjesbomen te planten. Dat geeft namelijk geen pluis.
Ook hier in Almere heeft de boom verloren. Het haalt veel groen weg. Want als de snelgroeier iets heeft, dan is dat wel groen. Ik vraag mij af wat er gebeurd zou zijn als Anne Frank deze bomen zag groeien door het zolderraam van het achterhuis.