De wind trok even weg toen het veegwagentje passeerde. Ik zag de man aan het stuur zitten. Uit zijn mond stak een sigaar, de aslaag vormde een punt vooruit. Ik probeerde mij voor te stellen hoe de kleine ruimte zou stinken.
Ik was op weg naar mijn werk, het begin van de dag begon met een stinkende gedachte. Je zou een collega zijn en de volgende dag in het wagentje moeten rijden. Het idee deed pijn aan mijn longen. Dat terwijl de wind de schone lucht om mijn lijf in harde rukken blies.