Het blijft een vreemd fenomeen: het boekenbal. Het is de droom voor de schrijvers die zo graag schrijver willen zijn en de nachtmerrie voor de schrijvers die schrijver zijn. Hoeveel gekat en gekrol schrijvers hebben geuit over het feestje dat ieder jaar aan de vooravond van de boekenweek is.
Schrijvers horen helemaal geen feest te vieren met elkaar. Een stel concurrenten wordt in een hok gepropt en mag dan feesten. Ze dansen wat onwennig op de voeten die alleen onder een bureau staan. Ze flirten verlegen met hun muisarmen en overtikte vingers. Bovendien draaien camera’s op volle toeren om een beeld te vangen van een dansende dichter of Harry Mulisch die op de trap zit en knikje geeft naar een collega.
Bij het boekenbal hoort een rel en als er geen rel is, dan verzint één of andere romancier er wel één. Met zoveel schrijvers krijg je zoveel verhalen die allemaal links en rechts bezijden de waarheid liggen. De fantasie verliest het soms van de alcohol, maar een kater kan ook de dingen mooier of lelijker maken dan ze zijn.
Ik kom niet zo vaak meer op feestjes. In de tijd dat ik wat vaker feestjes bezocht merkte ik dat altijd de feestjes waar ik niet geweest was, leuk waren geweest. De feesten waar ik kwam, daar gebeurde niks en vierden saaiheid en loomheid alleen een feestje. De gesprekken maakten niets mooier dan het was. Soms had ik een zoen gemist of een vechtpartij was in mijn ogen een iets te ferme handdruk. Maar verder gebeurde er zo weinig dat ik niet meer in wilde feestjes geloof.
Ik geloof helemaal niet in feestende schrijvers. Schrijvers moeten lijden en leven, maar zeker niet feesten.