Ik hol langs het Weerwater. De wind drukt de regen tegen mijn lijf en de kou duwt mijn rennen wat terug. Een fietser rijdt traag achter mij aan en haalt mij langzaam in. Dan trekt de wind het zeil aan en waait het hoedje van zijn hoofd.
Als de wieldop die losslaat van een auto haalt het hoedje de fietser in, slaat door een rukwind af van de route van zijn hoofdheer en haast zich een grasveldje op. Hij klemt zich aan een grashalm en blijft even liggen. De onderkant ligt boven. Het zoekt de huilende regen op de kant waar zojuist nog een hoofd onder lag.
Ik ren van mijn route af, het grasveld in en pak het hoedje op. Ik geef de man die stilstaat zijn hoofddeksel terug. Een mompel bedankt mij en ik volg mijn route weer. De regen begroet mij weer vol enthousiasme en ik voer de strijd aan. ‘Wir setzen uns mit Tranen nieder’, huil ik de wind terug. De rest van de woorden weet ik niet meer.