Hij vloog over het weiland in een siervlucht en landde vlak voor mij op het paaltje van de afrastering. De bruine kruin van de Bruine Kiekendief tuurde ernstig voor zich uit. Toen ik voorbij hobbelde zoals een echte hardloper betaamt, sloeg zijn kop om en keek een oog mij aan. Ik passeerde en zijn kop sloeg honderdtachtig graden om. Het andere oog zag mij aan. Verder bleef alles rustig. Als hij me maar niet aanvliegt, dacht ik terwijl ik mij nog eens omdraaide. De snavel wees in mijn richting.
Ik holde verder. Terwijl ik vooruit rende en achteruit omkeek, zag ik hem daar zitten op de paal van de afrastering van het weiland, ergens op het midden van Pampushout.