Stapels boeken staan op de grond. Ze zoeken steun aan elkaar en heffen de volgende stapel boven zich uit. De tafel is een woud van boekenstapels. Slechts een smal paadje slingert als een bospad naar de leesstoel in de kamer.
Getrokken door de naam van die ander, Boudewijn Büch, las ik laatst een column van Ischa Meijer, alias De Dikke Man. De verteller staat voor de etalage van een boekenwinkel. ‘[D]e allerleukste boekenetalage van Amsterdam’, aldus een Boudewijn Büch die de Dikke Man net passeert op zijn fiets.
In het verhaal komt Martin Ros ter sprake, die een avond eerder op televisie is geweest met zijn garage vol met boeken: ‘Dat was zo’n walgelijk gezicht – die garage vol ingepakte en in plastic zakken gestopte boeken.’
‘Dat is geen bibliofilie meer – maar bibliomanie. Het betrof trouwens allemaal pocketboekjes’, concludeert Büch. Als De Dikke Man dan refereert naar een man die volgens hem meer boeken had dan zijn vader, en die hij daarmee altijd pestte. Zijn vader gaf steevast antwoord op de pesterij: ‘maar die vader van Bernard van Praag heeft alleen maar incomplete teksten.’Beide heren kanonneren in een bulderende lach, aldus de verteller.
Altijd als ik Martin Ros zie met boeken, dan mis ik iets, bedacht ik vanmorgen bij het ontwaken. De mussen in het kastje vlakbij ons slaapkamerraam tetterden. De stapels boeken, die tegen elkaar hangen en als loze pijlers de lucht in wijzen, bijna bezwijkend aan de zwaartekracht. Ik zag het beeld weer voor mij van de Jakhalzen die hem bezochten in december…
Ineens besefte ik wat ik miste: de boekenkast. Ik heb Martin Ros nog nooit bij zijn boekenkast zien staan. Dat scheidt de manie van de filie.