Zachtjes kletteren de letteren op het Amsterdamse Spui vanmorgen. De regen trekt zich niets aan van het papier, maar de boekhandelaren vermommen zich in gesloten tenten. ‘Waar heb je die zijflap toch vandaan’, vraagt een boekenverkoper aan de vrouw die naast zijn kraampje haar boeken verkoopt. Ze is de enige vrouwelijke handelaar. ‘Nou, van zo’n markt die één maal in het jaar is. Dan mag je dat meenemen.’
– ‘Wat bedoel je?’
– ‘Nou, zo’n grote markt die ieder jaar is.’
– ‘Mag je dat dan zo meenemen?’
– ‘Nee, daar moet je natuurlijk voor betalen.’
Temidden van die onduidelijkheid voel ik mij thuis. Ik duw een flap opzij, die de rij boeken van de volgende handelaar vrij van regen houdt. Een man flapt aan de andere kant binnen. ‘Zo Hans, heb jij die van Schiller ook al?’ Hij grist het boek van de plank, kijkt op de titelpagina en zet het terug. ‘He’, krijst de handelaar, alsof zijn kind wordt ontvoerd.’ Hij grist het vast. ‘Wel weer rechtop zetten.’ ‘Verdorie mompelt de man. ‘Hij heeft het door.’ Hij bladert alweer in een ander boek en vertelt vanalles aan Hans. Ik zie een potlood achter zijn oor geklemd. Het schrijfwaar steekt schuin naar voren, half in zijn gezichtsveld. Grijze stoppeltjes wisselen zich af met zwarte op zijn gezicht.
Als ik het kraampje ernaast bezoek, merk ik dat de man met het potlood achter zijn oor de verkoper is van de boeken die hier liggen. Ik blader wat in het Sadistisch Universum van Hermans en vraag mij af of ik nu deel 1 of 2 heb. Ze liggen hier allebei. Voorin vermeldt een potloodkras ’15/8′. Of hier nu een gulden-/europrijs staat, of dat het de boeken samen zijn, weet ik niet.
De ‘peper en zout stoppels’ komen naderbij als ik in een oudere druk van Ik heb altijd gelijk blader. ‘Een heel leuk boek en het wordt weer veel gelezen’, schudt het potlood voor hem uit. ‘Ja, Hermans is heel leuk. Wist u dat dit één van de weinige boeken is waarin de Politionele acties beschreven worden, naast de Walgvogel van Wolkers.’ Hij reageert niet. Een man schiet voorbij en roept: ‘O, nou weet ik het, Pam.’
‘Ja, Pam, Pim Pam Pet. Weet je het nou’, wijst het potlood hem na. De man vlucht weg de regen in. Zijn jas wappert achter hem als een schimmelrijder in de storm. ‘Ik raakte hem een tijdje aan de straatstenen niet meer kwijt, Hermans. Maar nu loopt hij heel goed. Vooral de jeugd leest hem veel.’ Hij wijst naar een boek van Brakman, met een onheldere titel. ‘Ik hoopte een beetje dat hij beter zou verkopen zo kort na zijn dood, maar dat valt tegen.’ Hij blijft even onleesbaar, dood of levend, dat maakt niet uit, wappert op mijn tong. Ik neem mijn woorden terug voordat ik ze uitgesproken heb. ‘Ja, valt u dat ook zo op, dat er zoveel aandacht is voor overleden schrijvers.’ ‘Inderdaad, er wordt veel aandacht besteed aan schrijvers in de media. Veel meer dan bij schilderen. Ook bij dichters die schilderen. Lucebert is in de necrologiën geroemd om zijn gedichten, over zijn schilderijen geen woord. Niet dat die zo mooi zijn. Ik vind zijn tekeningen veel mooier. Ook bij Claus nauwelijks iets over de schilderijen.’
‘Ja, alleen over dat Verdriet en wat over zijn gedichten’, beaam ik zijn monoloog. De regen klettert in een onafgebroken cadans op het zeil. De verkoper duwt een stukje zeil omhoog waar een plasje water in hangt. Hij klimt op het puntje van zijn tenen. De lichtgrijze krullen trillen na als hij met een schokje weer neerkomt. Hij behoeft gesprek, we zijn de enige in zijn boekentent.
‘Behalve over De Koning. Daar is werkelijk een schitterend verhaal over zijn schilderijen in de krant. Een halve voorpagina. Maar dat was ook geschreven door een schilder.
Ik denk dat het daardoor komt.’ ‘Misschien’, zeg ik en zoek naar een vertrekkend woord. Ik blader wat in een bundel gedichten. Hij begint door het flapzeil met zijn andere buurman te praten. Zachtjes knetteren de letteren, zucht de rug van een boek. ‘Dag’, roep ik iets te hard, alsof de groet mij van hem bevrijd. Ik probeer snel weg te rennen, maar zachtjes kletteren de letteren.