Wat doet die wekker hier? Ik trek mijn sokken aan en zie de witte wijzerplaat, omringd door het zilverkleurig omhulsel. Het staat allemaal midden op mijn nachtkastje, terwijl ik het vier dagen eerder op mijn studeerkamer heb gezet.
Droom ik? Ik vraag het mij nog vertwijfeld af terwijl ik mijn sportbroek aantrek voor het hollen van straks. Dan hoor ik het rustieke getik. Het getik waarom hij hier niet meer mag staan en daarom naar boven is verhuisd.
Ik besef dat het ding door Doris op deze plek moet zijn neergezet. Drie dagen terug ontdekte ze de verdwijning en sindsdien is hij voor haar vermist. Ik had dan wel verteld dat hij in mijn studeerkamer stond, maar dat interesseerde haar niet. Hij hoort hier, niet daar, vindt zij. Nu is de daad bij het woord gevoegd.
Als ik beneden vlak voordat ik in de startblokken ga, informeer naar de terugkeer van mijn wekker, dan kijkt Inge verbaasd op. ‘Wat stond hij zo hoog. Ik dacht dat hij op je bureau stond.’ We vragen na en Doris bevestigt haar heldendaad. ‘Op stoel klimmen’, zegt ze. ‘En op de tafel?’ is onze volgende vraag. ‘Ja, tafel.’

Klokken boeien Doris. Als de wekker gaat, mag ze uit bed ‘s morgens en blijkbaar trekken haar de vormen van de tijd. Maandagnacht had ze er nog een nachtmerrie over. Ze was niet meer te troosten en had het maar over klokken en wekkers. Toen ze uitgehuild was volgde het verhaal van de wekker en de klok, en de angst die dat met zich had meegebracht. Of was het het verdriet van de wekker die overdag verdween van mijn nachtkastje?