Ik kwam uit bij een open plek in het bos. Het stond hier vol met auto’s. Ik vroeg mij af waarom ineens op deze onverlaten plek, midden in het bos, een parkeerplaats voor auto’s in het leven was geroepen.
Libelle Zomerweek‘, hinkstapte door mijn hoofd. Ik rende nog, maar vreesde het ergste. Meer dan tien kilometer was ik van huis, als ik zou omkeren, moest ik hetzelfde stuk nog eens. Ik holde verder, wist ergens wel beter. Dat ik recht op een afzetting afliep.
Het was rustig op het schelpenpad. Geen mens te vinden. De stilte voor de storm, besefte ik. Maar ik trimde dapper door. Geen Libelle-lezeres zou mijn voornemen weerhouden om de wandeltocht van Tweede Pinksterdag nog eens over te doen.
De bussen reden af en aan, traag optrekkend en remmend in de file naar de parkeerplaats. Het fietspad achter het strand toonde mij een beeld dat weinig zo gezien had. Een niet ophoudende stroom vrouwen liep over het fietspad, allemaal in de richting van de witte tenten wat verderop aan het strand.
De karavaan liep in één beweging, maakte geen ruimte voor de tegenligger. Voor mij restte weinig anders dan over het gras te hobbelen. Enkel vrouwen liepen langs mij heen. Geen één man passeerde mij. Tot ik bijna het hoekje om kon. Een kale kop zwaaide in mijn richting. ‘Veel muggen hier hè?’ riep hij. Ik was hem al voorbij voor ik kon antwoorden.