Ik vreesde het ergste bij mijn terugkomst van vakantie, midden april. De bladeren van het boompje dat op mijn bureau staat, hingen droevig op half zeven. De dood loerde dreigend in mijn richting, terwijl ik achter de computer werkte.
Mijn collega verwijt ik niks, want ze waarschuwde mij al voor haar onkunde op het terrein van de flora. ‘Ik vergeet ze altijd.’ De andere planten hadden de keer dat ze het vergeten was doorstaan. Mijn boompje niet, de bladeren waren donkergroen en al het levensvocht was eruit gekropen.
Maandag zag ik dat er wat knopjes kwamen rond de stam en ik besloot het rigoreus aan te pakken. Als ik het niet deed, zou hij het zeker niet overleven. Ik kortwiekte mijn boompje tot een heuse bonsai die meer op een knotwilg leek, dan op de boom van weleer.
Het resultaat liet niet op zich wachten, want vanmorgen zag ik nieuwe blaadjes op mijn boom zitten. De snoeiactie was zeker zinvol geweest en had een leven gered. Ik sprong gaatjes in de lucht en vertelde blij over mijn reddingsactie. Mijn collega keek me vreemd aan, probeerde zich in te leven in mijn vreugde, maar draaide zich naar haar beeldscherm en tikte snel wat op haar toetsenbord.