Weken zie ik ze al lopen, iedere keer in een andere delegatie. Altijd op zondag en met een tas in de hand. Ze passeren schichtig de woningen aan de overkant voorbij op zoek naar een nieuw slachtoffer.
Vandaag staan ze weer bij dezelfde voordeur, waar ik ze de laatste tijd iedere zondag zie staan. Een oudere man, zijn zwarte maatpak valt open en een enorme buik verschijnt achter een wit overhemd. Hij vertelt zijn verhaal met veel armgezwaai en tromgeroffel. De vrouw die achter hem staat, klemt haar handtas stevig onder haar oksel vast. De lange regenjas maakt haar nog langer en dunner dan ze is. Soms zie ik haar mond bevestigend meelispelen. Ze knikt in een onophoudelijke beweging, bijna in een vast ritme.
De man verdwijnt uit het zicht, hij staat vlakbij de voordeur. Ik zie alleen zijn jasje soms fladderen van achter het muurtje. Zij blijft waar ze is. De bolletjes van de hortensia’s achter haar knikken met haar mee.
Dan zwaait de man af, zijn jasje fladdert naar achteren. Zij wacht tot hij voorbij is en volgt. Als ze buiten het tuinhekje staan, praat zij tegen hem. Hij knikt en doet het tuinhekje achter zich dicht. Ze lopen even schichtig weg als ze kwamen.