‘Met Frans.’
‘Hoi Frans, met mij. Hé knul, hoe is het? Ik dacht laat ik eens bellen hoe het is.’
‘Nou met mij alles prima hoor.’
‘Hé Frans, je weet dat ik de krant van morgen nog vol moet schrijven, heb je nog nieuws?’
‘Nou, niet veel hoor. Ik zou het niet weten. Ik ben al getrouwd, Maris is niet zwanger en we hebben nog steeds geen hondje erbij.’
‘Toe Frans, ik hoorde dat je vorige week bij je juwelier was.’
‘Juwelier?’
‘Ja, een fan zag je er binnen gaan.’
‘Een fan? Ja, nu herinner ik het me weer. De juwelier, daar waren we inderdaad.’
‘Wat deed je daar?’
‘Nou, ik schaam me er een beetje voor, maar we hadden Chinees gegeten. Draadjesvlees en je weet dat dat zo tussen je tanden blijft hangen. Ik dus flossen, maar mijn trouwring kwam te dicht bij mijn gebit. Bleef verdorie hangen. Ik trekken, vulling los en mijn diamant viel op de grond. Wij met z’n allen zoeken, dagenlang. En je raadt het nooit?’
‘Gevonden?’
‘Nee, natuurlijk niet. Hij was spoorloos. Wel vond ik mijn poliep terug, maar de diamant bleef spoorloos.’
‘Verdorie Frans, dat is nieuws!’ (begint te hijgen)
‘Nieuws, dat ik een nieuwe moest kopen?’
‘Dus daarom was je bij je juwelier?’
‘Ja, bleef niks anders over dan een nieuwe kopen.’
‘Hé Frans, geweldig bedankt.’
‘Dat van die Chinees, weet ik niet zeker hoor. Het kan ook bij een optreden gebeurd zijn, maak dat er maar van.’
‘Tuurlijk Frans, ik maak er een mooi stukje van.’

Leve de komkommer