Haar benen liggen gestrekt op een bananendoos. Het karton buigt een beetje door. Op haar schoot rust een accordeon. De kleppen klappen met haar muziek mee. De bescherming die er ooit gezeten heeft, is verdwenen.
De melodie neuriet omhoog en omlaag, lijkt misschien iets gypsy-achtigs in zich te hebben. Het is een vervelend deuntje dat zich voortdurend lijkt te herhalen. Ik luister nog eens goed en realiseer dat ze helemaal geen accordeon kan spelen. De vingers glijden omhoog en omlaag in een variatie van boer-er-ligt-een-kip-in-het-water. Ze gebruikt niet meer dan vijf tonen, die van beneden naar boven gaan, in een iets versneld tempo.
Ze glimlacht naar me als ik het winkelwagentje pakt. Ik ontwijk een urineplas. De stank slaat mijn neus dicht. Het maakt het allemaal nog erger. Ik mis de jongen die hier normaal speelt. In zijn accordeon zit een repertoir van enkele liederen waar iets meer muziek in zit.
Een flesje cola valt uit het automaat en ze loopt voor mij terug naar haar kartonnen zetel. Ze lurkt aan het flesje en drinkt het verdiende geld dorstig op. Haar stukkende accordeon zet ze weer op schoot. Hetzelfde melodietje klinkt weer door in de parkeergarage.
Als ik wegfiets merk ik opeens dat ik de toonladder fluit. Snel verwissel ik het voor een fuga van Bach.