In de roman Tirza van Arnon Grunberg vraagt het hoofdpersonage Jörgen Hofmeester zich af waar het geld uit zijn hedge fund naar toe is gegaan. Geld kan toch niet zomaar verdampen, in rook opgaan, verdwijnen, weg. Het moet toch ergens zijn, redeneert hij.

De vijftien miljard euro die de banken aan de kredietcrisis hebben verloren, lijken ook verdampt. Niemand spreekt over waar het verloren geld naar toe is gegaan. Het lijkt gewoon weg te zijn.

Als de economie zou voldoen aan de Wet van de communicerende vaten, dan is het geld ergens naar toe. Wanneer ik een balans zie, moet ik aan de Wet van de communicerende vaten denken. Geld komt ergens vandaan en gaat ergens naar toe, anders is het een zeepbel. Bij handel gaat het van de ene hand in de andere.

Van een schip dat vergaat, gaan de goudstukken in de lading ook niet verloren, ze liggen alleen op de zeebodem, in plaats van dat ze erop drijven. De rest van het schip zal geleidelijk overgaan tot een andere samenstelling.

Ik ben opgegroeid met het idee dat je geen geld kunt uitgeven dat je niet hebt. Ook mag je niet meer geld uitgeven dan je hebt, dan slaat de balans negatief uit en heb je schuld. Schuld is ongeveer het ergste dat er is.

De kredietcrisis bewijst dat de mensen die er verstand van zouden moeten hebben, spelen met geld dat er niet is. Anders kan het niet zomaar verdwenen zijn.

Misschien leeft de verkoper van de lucht van zijn verdiende loon, of het verdwenen geld, ergens op de Bahama’s. Gek idee, maar niet eens zo’n raar.