Uit de ijle populieren weerklonk het gekwetter van een grote groep spreeuwen. Ze verzamelden zich voor de trektocht naar het Zuiden. ‘Hoor je de spreeuwen tetteren?’ riep ik achterwaarts. Ik hoorde geen reactie. Een brommetje trok voorbij en overtetterde de spreeuwen. ‘Ja, ik hoor het’, galmde Doris vanaf de bagagedrager.
We moesten een brief wegbrengen naar Parkwijk en fietsten langs het spoorbaanpad. Af en toe passeerde een geel monster en bevestigde Doris het voorbijgaan met ‘een trein, een trein’.

We reden weer op de terugweg. Een zwerm spreeuwen vloog op een populier af. Weer kwetterden ze het hoogste woord. Ik probeerde de trek uit te leggen. ‘Het wordt winter en ze gaan weg’, vertelde ik met een halve schreeuw in mijn stem. De treinen en de spreeuwen probeerden boven mij uit te roepen. ‘Daarom gaan ze naar een warm land, hier heel ver vandaan. Kijk, daar vliegen ze.’ Een nieuw groepje vloog ons tegemoet. Doris snapte het: ‘Kom achter mij aan, zegt de vogel.’ De zwerm vormde een regendruppel die in een punt voor wegvloog. ‘Achter mij, achter mij’, vervolgde Doris.
Zo had ik de trek nog niet gezien. ‘Ze verzamelen zich en gaan dan weg’, vertelde ik verder. Het kwetteren vervloog langzaam van ons. We waren nog alleen tot een brommertje ons tetterend inhaalde. ‘Achter mij, achter mij’, snaterde de uitlaat met een lelijke schal. Daarna verliet het ons in een stank.