‘Kijk uit voor de poep’, waarschuw ik Doris. We staan op het tegelpleintje achter het gebouw van de kinderboerderij. Het varken markeert zijn nieuwe grasveld, zijn geslacht schiet centimeters naar voren en van achteren maakt hij sidderende bewegingen.
Hoe leg ik dit uit, vraag ik mij af, maar het dier wroet ondertussen de pollen los tot een diepe kuil. Ik zie het stukje gras in mijn fantasie al veranderen in een modderige veldje.
In het veld aan de andere kant rennen de geiten en bokken naar het gebouw. Ze horen iets rammelen en denken dat er iets te eten valt. Als wij zwaaien met een bosje gras in de hand, zien ze ons niet staan. Het gras verderop is groener.
Ik draai mij om. ‘Kom we gaan naar huis’, zeg ik tegen Doris. ‘U staat in de poep’, zegt een meisje dat naast mij is komen staan. Ik kijk onder mijn schoen en zie een plakkaat. ‘Inderdaad’, antwoord ik.