Ze zaten in het bushokje op het bankje naast elkaar. Een jongen lummelde vlakbij tegen de reclamezuill. De jassen van de meisjes waren hoog opgeknoopt tegen de wind die over het plein joeg.
We reden traag in de rij de rotonde op. Ik zag het ene meisje de rugzak openen die in haar schoot lag. De knokkel van een immens bot verscheen. Het andere eind zwierf een stuk verder op de bodem van de rugzak. ‘O ja, dierendag’, mompelde ik.
We dachten zwijgend aan onze hond die nu in de bench in het halletje eenzaam verbleef. ‘Ach’, probeerde ik vergoeilijkend uit mijn mond te persen. ‘Voor onze hond is het elke dag dierendag. Die hoeven we vandaag niet te verwennen met een bot waarin ze zelf bijna past.’