Ik was aan het hardlopen, het was nog ochtend en ik genoot van de rust. Niemand aan het fietsen, iedereen op het werk of thuis voor de televisie. Verder alleen ik en het tikken van de schoenen op het asfalt
Ik holde langs De Paviljoens bedacht dat de anderhalve meter hoge palen een heuse watervloed niet zouden weren en zag hoe de dunne blaadjes aan de bomen hun kleur verloren.
Een reiger stond op het betonnen muurtje in het tunneltje dat fietspad van de gracht scheidde. In onze richting tufte het baggerbootje van de gemeente. Het ding heeft eerder iets van een modderschuit. Vooruit priemen pinnen naar voren om fietsen en ander metaal leed uit het water de kant op te dreggen.
Het geluid uit de transistorradio galmde over de ochtend en het water. De reiger vloog weg, hem werd de herrie teveel. Ik hoorde de stem van Stef Bos. Wat hij zong, hoorde ik niet, maar ik voelde de regel noten verder naar binnen gaan dan mijn oren.
Hetzelfde gebeurt nu met Sigur Ros. Ik versta de woorden niet, maar voel hoe de noten mij verheffen in weemoedigheid.
Misschien hoort melancholie bij dit jaargetijde.