De gasflessen tikten tegen elkaar bij het nemen van de rotonde. Ik reed rechtdoor in de richting van het industrieterrein, over het spoor en dan gelijk naar rechts. Hier moest het ergens zijn, ik zwierf over het kleine industrieterrein, langs lege parkeerplaatsen. Hier was niemand, soms passeerde mij een auto.
Ik stapte bij het installatiebedrijf naar binnen in een showroom vol bouwladders en gereedschap. De twijfel sloeg toe. Vulden zij gasflessen bij? De bel had geklonken bij binnenkomst en een man in overall liep mij tegemoet.
– ‘Vult u ook gasflessen bij?’
– ‘Ja, dat doen wij ook hoor. Wat zijn het voor een flessen?’
– ‘Voor in een stacaravan. Ik heb ze achterin de auto liggen.’
We liepen naar de auto. ‘O, ja hoor. Die hebben we. We vullen alleen niet bij, we wisselen alleen maar om.’
– ‘Dat is ook goed.’ Hij had de flessen al gepakt en liep ermee naar de winkel. ‘Moet ik niet iets dragen?’ vroeg ik. ‘Of hoef ik alleen maar de deur open te doen.’
Hij liep naar achteren. Ik tuurde naar de ladders en al het gereedschap, de boormachines die in de rekken hingen en de spuitbussen om gif mee te vernevelen. Hij kwam terug met de volle flessen. ‘Ik weet niet hoeveel ze kosten. Normaal staat André hier, maar die is er niet.’ Hij bladerde in een boek, maar vond de prijzen niet. Mijn mobieltje zette de mis in. Dat kon ik even niet gebruiken, ik drukte de beller weg. ‘Hij is zo terug, ik weet het echt niet.’ ‘Dan wachten we toch even’, antwoordde ik geruststellend. ‘Ik heb net een stacaravan gekocht, op Westerholt.’ ‘Westerholt’, herhaalde hij en nam mij nog eens zorgvuldig in zich op. ‘Kijk daar heb je hem.’ Een man stapte uit een bestelbusje en liep naar binnen.
‘Dat wordt 39 euro’, zei hij nadat hij de prijs had ingetoetst in de kassa. ‘Wacht ik loop wel even mee.’ Hij liep met de lichtste fles in de hand weg en liet mij achter met de zware. ‘Zo die zijn loodzwaar’, mompelde ik toen hij de deur voor mij openhield.