De woonkamer weer eens aan het opruimen. Omdat Doris zo van koken houdt, het kookgerei van haar opgezocht. We wisten nog dat diverse pannetjes in de tuin lagen. Die vond ik spoedig in een emmer met speelgoed dat ik aan het einde van de zomer bijeen geraapt had.
Nu was alleen nog de braadpan kwijt. Ik zocht, zocht en zocht nogmaals, maar vond het ding niet. Ook Inge vond het ding in geen velden of wegen. We overpeinsden alle plekken waar hij in de herinnering lag, gingen die plekken af, maar vonden niets.
Toen ik in de gang, het papier opgeruimd en de schoenen maar eens netjes bij elkaar legde, hoorde ik het gerinkel van een pannetje achter mij. Doris haalde hem uit het reisvak van haar poppenwagen. Ik juichte. ‘Ja pannetje, ja pannetje, hij is weer terecht.’

Corrie Vonk, de vrouw van Wim Kan, hield tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië af en toe een show voor haar medekampgenoten. Ze stond dan met wat pannen op het podium, zette een kookpannetje op haar hoofd en zei: ‘Ja pannetje, ja pannetje, jouw krijg ik nog wel.’ De bezetter zat in de zaal, maar hoorde de grap niet. Alle vrouwen die er waren wel. Kijk, dat is nou creatief verzet.