Een week om ruim 380 pagina’s met de beschrijvingen van 148 orgels te lezen is bijna onmogelijk. Zeker in zo’n drukke week als de afgelopen week. Het dertiende deel van de orgelencyclopedie Het Historische Orgel in Nederland ligt sinds zondag op mijn leestafel. Het bestrijkt de jaren 1894 tot en met 1901.
Voor mij is de encyclopedie een plaatjesboek, een atlas en een zoekboek. Zo bladerend door de pagina’s vind ik nieuwe orgels en nieuwe dingen over bekende instrumenten. Of ik zie het plaatje bij het verhaal, zoals het Pereboom & Leijser-orgel in de katholieke kerk van Apeldoorn.
Een instrument dat vanuit Groningen via Tilburg uiteindelijk in Apeldoorn is terechtgekomen. Ik hoorde een paar jaar terug het verhaal van de organist van de Onze Lieve Vrouwekerk. Ze hadden gespaard en dit bijzondere instrument gevonden. Nu moest het nog in elkaar gezet worden en dan had Apeldoorn eindelijk het orgel dat het verdiende. In het dertiende deel staat het instrument, het telt twintig stemmen en stamt uit 1897.
Het boek vertelt een bijzonder verhaal over die instrumenten van rond de vorige eeuwwisseling. Onbegrip en ook woede heeft vaak in de jaren zestig en zeventig voor ingrijpende veranderingen van deze instrumenten gezorgd. Woede, omdat de bouwers van deze orgels vaak de instrumenten van oude en respectabele bouwers als Duyschot en Schnitger hadden aangetast. Onbegrip, omdat de zachte en lieflijke klanken als achterhaald werden ervaren en omdat de opvatting was dat de orgelbouw van rond de eeuwwisseling in een dieptepunt verkeerde.
Het lot vertelt dat de woede voor de daden van deze bouwers voor nieuwe even schaamtevolle daden heeft gezorgd. Nieuwe inzichten, verdriet en spijt laten zien dat in de jaren negentig en nu in de nul-jaren de wandaden van de twintigste eeuw worden hersteld.
De geschiedenis gaat in een voortdurende golfbeweging vooruit. Toch vind ik dat de wandaden van de jaren zestig en zeventig zeker niet altijd hersteld moeten worden. Dat verleden ligt te dicht bij ons. Bovendien is er nu de uitdaging van de hedendaagse bouwers om de instrumenten van de jaren zestig en zeventig respectvol te behandelen. Iets dat nog te weinig gebeurt.

Kijk, dat leer ik van de encyclopedie. Wat ik nog veel meer leer is dat hoe dichter de delen het heden nadert hoe uitvoeriger de beschrijvingen en documentatie worden. Alles komt aan de orde, soms zelfs kleine daden als een schoonmaakbeurt of een intonatie.
Bovendien staan er veel meer instrumenten uit de negentiende eeuw in ons land, dan van de voorgaande eeuwen. In delen uitgedrukt. Het eerste deel bestrijkt bijna 250 jaar orgelgeschiedenis. Voor de resterende 200 jaar zijn twaalf delen nodig.
Jammer dat de twintigste eeuw vrijwel nauwelijks aan de orde komt, daar zijn slechts twee delen voor gereserveerd en die bevatten slechts een selectie van de vele instrumenten die toen gebouwd zijn.

Kijk voor meer informatie en achtergronden over de encyclopedie op: www.nationaalinstituutorgelkunst.nl