Er zijn van die dagen dat het lijkt of het vakantie is. De gangen zijn uitgestorven, nergens brandt licht. Een verdwaasde collega slingert door de gang, op zoek naar leven en altijd op zoek naar iemand die er niet is. Dan krijg ik de vraag of ik er iets van weet, waar de stickers liggen of hoe het is met die folder, waarvan ik werkelijk geen weet heb.
Zelf slingerde ik ook door de gang op zoek naar de collega die er niet was, terwijl ik haar toch echt eerder die ochtend en bij de lunch had gezien. Nu was de gang leeg, de gele deuren lagen tevreden vast met de pin in het kozijn. De lichten waren keurig uitgedaan door de laatste werkende. Dat terwijl het krap vier uur was.
Ik ga dan ook zitten zeuren of iemand iets weet. ‘Ik denk dat ze naar de denktank zijn. De presentatie van het rapport was vanmorgen’, durfde een collega in te schatten. Ze liep gelijk met me op. Het leegje kopje dat aan haar arm bungelde, duidde erop dat ze zin had in een sloot warmte. ‘O ja, de denktank.’ ‘Ja, ze tanken weer lekker bij.’ ‘Zouden ze nieuw denken tanken bij zo’n denktank’, rijmelde ik. Precies op dat moment schoot ze het koffiehoekje in.