Het riet lag platgedrukt op de grond. Verderop waren de wilde braamstruiken getemd. De musjes vlogen snel met kwiekslagen tussen de doorns en takken door. Ik kon goed door de takken heenkijken. Ik zag dat onder de struik eigenlijk niks zit, alleen maar stam en takken zonder iets. In de zomer bedekken de brandnetels en het gras alles waardoor je niks ziet.
Ganzen liepen in hun pas tussen de drek en zochten een droog plekje tussen al de plassen. Niet eens keken ze op van mij, te druk met rondkijken naar elkaar en de lepelaar. Verder ademde de ruimte mist en verte.
De buizerd vloog van mij weg, aan de andere kant in het Wilgenbos, vloog hij opnieuw met een sacherijnige blik weg. Ik durfde hem niet meer na te kijken. De wildernis verdween, mijn voeten hoorden de auto’s over de rondweg snellen.

Het einde van de natuur en het alleen zijn.