De mist bekrast de bomen
en het gras van waar we zaten
Het was voorjaar en de bijen
zongen een liedje tussen de bloemen

Nu waait de koude het warme
gras van toen weg en drukt
de bladeren wat harder
tegen het zompige groen op de grond

We aten een broodje, hingen
de ruggen tegen de barst
en droomden van het mooie weer
dat zo krachtig onze nekken omhelsde

De leegte roept de herinnering
en zegt dat het tijd is
van verder gaan en niet meer omzien
voordat de koude voeten stil staan

De honden zijn weg en kruipen
in de schulp van de winter
die sneller komt dan gaat
en daar zitten onmogelijk maakt

Nog één keer kijk ik om
terwijl de wolkjes voor mij
uit blazen en de tranen tralies
maken in blokjes grijs en witte mist