Ik zwaaide nog naar de vriendelijk lachende juffrouw achter de balie en wenste haar een prettig weekend. De rijp kraakte onder mijn voeten. Het witte voetpad wilde zelfs op dit late uur niet versmelten.

Ik draaide de hoek om, uit het zicht van de receptioniste en zag een grote bestelwagen pal voor mijn auto staan. De andere kant van de weg was helemaal vrijgehouden, geen auto zou hij daar in de weg hebben gestaan. Nu vormde hij een obstakel voor mijn vehikel. Ik kon geen kant op. De auto’s aan mijn zijden konden nog makkelijk wegkomen. Ik stond hier voor een dilemma.

Terug naar de receptioniste. ‘O, dan moet hij van T-Mobile zijn’, concludeerde ze. ‘Wat is het voor een auto?’ ‘Een bestelwagen, een blauwe’, antwoordde ik. ‘Een blauwe’, herhaalde ze terwijl ze een telefoonhoorn naar haar oor bracht. Ze mompelde wat door de hoorn en zei dat ze eraan kwamen.

Ik liep weer terug, wachtte bij de auto. De deur van T-Mobile ging open, een forse man met blonde krullen kwam eruit. ‘Nee, die is niet van ons.’ Hij liep voor mij uit over het witte pad naar de receptioniste. Ik volgde hem. ‘O, dan is hij van Assink.’ En weer ging de hoorn naar het oor. ‘Ze gaan kijken’, zei ze. Ik draaide me om en wachtte weer.

Geluiden klonken bij de deur van het magazijn. Ik hoorde wat klinken bewegen, maar alles bleef dicht. Nog even wachten, het werd koud. De deuren kraakten weer en gingen open. Een man in overall kwam naar buiten. Hij draaide in zijn vrije hand een sjekkie. Hij lantefanterde met alle tijd van de wereld in zijn zakken traag naar zijn auto. Keek me even stuurs aan, maar sprak geen woord uit zijn mond. ‘Is hij van u?’ vroeg ik met een lichte ergernis. Hij stapte in en reed hem naar het vrije stukje weg aan de overkant. Had hem daar eerder gezet, dacht ik terwijl ik de sleutel omdraaide en de motor al hoorde draaien.