‘Nee, Kim. Kom terug’, schreeuwt een jongen aan de rand van de bevroren plas. ‘Doe het niet Kim. Nee, kom terug.’ Een meisje loopt over het ijs. ‘Het kraakt toch niet. Er gebeurt niks.’ De jongen krijst in onhoorbare taal in haar richting. Alsof elk moment haar laatste kan zijn.

Hij is de enige met ijzers onder zijn voeten. De twee meisjes die hem vergezellen, kwellen hem. Ze lopen waaghalzerig naar het midden van de kleine plas. De jongen schaatst niet meer, maar roept en roept. Terwijl de meisjes niet luisteren.

Een hoentje vlucht het riet in. Het diertje glibbert met hoge snelheid in de richting van de rust. De jongen staat nog altijd aan de kant en roept. Misschien heeft hij de ijzers van zijn oudere zusje om en is haar maat niet meer verkrijgbaar. Het andere meisje durft minder en staat op een meter van de kant. De echte schaatser van de drie heeft geen ijzers. De rest staat stil en roept.