Als een ijsbeer gehuld in lagen kleding hol ik langs het weerwater. De schemering maakt het ijs tot een spiegel van de stad. Het silhouet tekent haar vorm op het bevroren water.
Een verdwaalde schaatser glijdt over het ijs. Zijn lange schaduw haalt het zicht op zijn route weg. Hij passeert rakelijks een wak, ik zie het ijs zachtjes golven zo met de rode zon op de gladheid.

Ik vraag me af wat ik zou doen als hij in het water verdwijnt. Zou ik hem redden, of aan zijn lot overlaten? Ik hol de hoek om. Hij is uit mijn zicht, mijn vraag zakt weg in het wak van mijn verantwoordelijkheidsgevoel.

Thuiskomst van de IJsbeer.