Het park voelde de eerste schopjes van het voorjaarskind in de buik. De zon probeerde haar verre stralen te laten schijnen en een voorzichtige warmte af te geven. De paden glibberden onder mijn voeten. Er was niet gestrooid. Tegen deze gladheid viel niet te strooien.

Ergens op één van de smalle zandpaden stond ze stil. In een scootmobiel. De rugleuning zo ver mogelijk naar achteren geklapt. Twee donkere glazen beschermden haar ogen voor het felle licht. Ik kon het niet zien, maar wist zeker dat ze de ogen dicht had. Haar gezicht kon het genieten niet wegdrukken. Stil en langgerekt lag ze daar.

Naast haar mobiel stond een hond, met de staart naar haar gekeerd. Hij draaide zijn nek naar achteren en keek haar aan. Afwachtend, durfde niet zomaar het initiatief te nemen. De grijze haren rond de bek verrieden dat hij eveneens op leeftijd was. Hij kon niet genieten, wilde verder, maar bleef toch staan. Voor haar. Tot die verdomde eerste schopjes eindelijk voorbij waren en ze de tocht en de winter verder aanvaarden.