De schemering slaat tegen het raam van de trein. De regen ritselt als een snoeppapiertje tegen hetzelfde raam. Het licht in de trein verandert in gezelligheid. Het knooppunt bij Weesp passeren we.

Ik lees mijn boek en hoor iemand telefoneren. ‘Wat zeg je?’ maar de woorden dringen niet tot mij door. Zo lekker kan lezen zijn, als de regen maar ritselt en de schemering maar slaat. Zo sterk zelfs dat ik maar net op tijd mijn boek dichtsla, de tas pak en de trein verlaat.