Zijn haar is naar achteren gekamd zoals Peter R de Vries. Een klein snorretje kriebelt tussen zijn neus en bovenlip. Hij buigt wat naar de man die schuin tegenover hem zit. ‘Ze moet niet denken dat ze zomaar zo’n afspraak kan verzetten. Nu mag ik het weer opknappen. Ik kan het toch ook niet helpen dat ze dubbele afspraken maakt. Ik weet niet of ik een gaatje heb in mijn agenda, maar ze moet niet denken dat ik daar mijn afspraken voor verzet. Dat zij een dubbele agenda heeft kan ik niet helpen.’

De andere man knikt, hij draagt een kleurrijke das, die flets is geworden door het vele wassen. De camelkleurige jas camoufleert de kleurrijke das. De grijze plukjes haar aan weerszijden van zijn gezicht, maken hem wat intelligenter dan zijn cynische collega. ‘Ik ben de beroerdste niet. Als ik haar kan helpen, help ik haar, maar ze moet niet denken dat ik mijn agenda voor haar verzet’, vervolgt hij op gedempte toon. De stem is zo afgevlakt dat de emotie verbannen is.

Ze turen samen dezelfde kant op naar het raam. Ze zien hoe de schemering hun spiegelbeelden steeds duidelijker maakt. Ze kijken bijna in een spiegel, die zich herhaalt tot in het eindeloze in het andere raam. ‘Griep, hebben jullie daar ook zo’n last van’, onderbreekt de cynische onze stille gedachten. De camelman kijkt niet begrijpend in zijn richting. ‘Zieken, hebben jullie geen zieken? Gek word je ervan bij ons. De ene week, die, deze week weer twee.’ De inteligente houdt wijselijk zijn mond. De cynische is nog niet klaar. ‘Ik ben allang blij dat ze niet allemaal tegelijk ziek zijn, anders hadden we echt een probleem.