Ik vertelde dat ik nu ergens anders werkte. Dat ik nu met de trein moet en niet meer op de fiets. Dat ik daardoor wat eerder weg moet en wat later thuis kom. Ze luisterde aandachtig. ‘Welke kleur heeft jouw werk’, vroeg ze. Ik wist geen raad met deze vraag. ‘Ik werk nu ergens anders’, herhaalde ik nog eens.

Zij herhaalde haar vraag nog eens. ‘Welke kleur heeft jouw werk.’ Het bleef stil. Ze vervolgde: ‘Jou andere werk groen. Welke kleur heeft je werk.’ Ik snapte het verhaal. Het gebouw waarin ik eerst werkte was groen. Ik moest heel hard nadenken. De kleur van het gebouw lag niet zo op het netvlies. ‘Grijs’, zei ik. Ik dacht aan het dak van het gebouw. Of de stenen nu ook grijs waren wist ik niet meer.
Vanmorgen en vanavond maar even het gebouw op de foto gezet. Het dak is inderdaad grijs, maar de stenen van het Citadel zijn bruin.
Ik liet Doris de foto’s zien en verwees naar de dag ervoor waar we het over de kleur van mijn werk hadden gehad. ‘Dit werk ben ik niet geweest’, antwoordde ze. Ze keek nog even naar het plaatje en vervolgde waarmee ze bezig was.