De trein suisde met hoge snelheid langs. ‘Dat maakt een hoop herrie met een hoorapparaat’, zei een oudere dame tegen haar gezelschap. Het was een eveneens ouder echtpaar, zestigers schatte ik zo snel. Genietend van de vut, eindelijk vrij onder het mom van mag ik ook genieten, ik heb er hard voor gewerkt en met van die hippe monturen waarmee je alle zestigers de laatste paar jaar ziet lopen.

Zijn haar was precies een centimeter lang. Haar haren vielen minder slordig dan van de vrouw met het hoorapparaat. ‘Nou’, zei de man. ‘Je woont een stuk beter dan waar je eerst woonde.’ De vrouw met het hoorapparaat hield het goede oor blijkbaar in zijn richting. Ze zweeg. ‘Ik bedoel dat andere dat was toch echt niks, zo ver weg van alles.’ De achterlichten van de trein werden steeds kleiner in de lijn naast het perron achter haar. Ze schudde met het hoofd. ‘Ik woonde daar niet slecht, alleen ik kon daar niet meer blijven.’

De vrouw met de hippe bril probeerde de verkeerd vallende opmerking van haar man recht te breien. ‘Hij bedoelt dat je daar zo afgelegen zat.’ ‘Ik had mooi uitzicht’, sprak ze tegen met een lichte afkeer in haar stem. ‘Je zit hier erg goed, zo lekker dicht bij het centrum.’ Hij wees naar de bouwput op en rond het station. ‘En het is echt een keurig huis, zeker als je het vergelijkt met eerst.’

De vrouw van het hoorapparaat en het nieuwe huis, mompelde iets buiten mijn richting, waarna de man maar over het carnaval begon. ‘Dit weekend begint het. Ik hoop dat het een beetje rustig blijft in de trein.’ Dit jaar zou hij niet gaan, hij had het wel gezien. Als je dan toch ging, moest je naar Groesbeek, het Nederlandse Keulen. ‘Als het om optocht gaat’, vervolgde hij.

De drie koplampen van de stoptrein kwamen naderbij. De vrouw met het hoorapparaat stond met de rug naar mij toe. Haar slordig gekapte haren waren helemaal grijs en lichtten een beetje gelig op. Ze gaf de man een hand. ‘Goede reis naar huis.’ Hij mompelde iets van dat het gezellig was.

Ik verwachtte dat ze de vrouw met de hippe bril een zoen zou geven. Ze kwamen nauwelijks dichter bij elkaar dan hun handen reikten en gaven een afstandelijk handje. Ik zag van deze afstand dat de hand niet stevig was. ‘En heel veel plezier volgende week in de sneeuw. Ik hoop dat je lekker kunt wandelen en zo.’ De vrouw met de hippe bril maakte er een beweging bij alsof ze een langlaufstok in iedere hand vasthield. Het zouden ook van die Nordicwalk-stokken kunnen zijn. De trein stond stil en het echtpaar stapte in. De vrouw met de grijzen haren liep al van ze weg. Een zwaai kon er niet meer af. Naar het betere plekje, lekker dicht bij het centrum.’