Grote letters lagen dik op de stenen van het talud onder de spoorbrug bij Almere Strand. De stenen waren de lijntjes voor het schrift geworden. ‘Konyntje ik kan niet zonder je’, stond er. De Ypsilon maakte drama van de liefde voor konijntje alleen maar schrijnender.

De letters deden pijn in mijn ogen. Er stond nog iets onder geschreven in fletse letters, maar dat had hier niks mee te maken. Hier was de liefde opgehouden, een kreet geworden. De letters galmden hier onder de betonnen balken van het tunneltje. Hoog denderde een trein over mij heen.

Ik holde verder en bedacht het verhaal van de liefde voor konijntje. Zou konijntje verdwenen zijn uit het leven van de jongen? Of had konijntje slechts gedreigd te vertrekken? Hier sprak een jongen. De grote kapitale letters, zonder enige ronding en opsmuk, moesten van een jongen zijn. Hij was radeloos, dat vertelden de letters, de letters schreeuwden het verdriet uit. Ze krijsten wanhoop, ja, wanhoop krijsten ze.

Ik dacht wat ik eerder gezien had, de wieken van de windmolens waarvan de schaduw zo mooi over het gras van de dijk trok. Het leek net of hij omhoog rende, de dijk op. Wat verderop hing een kleurrijke vlieger hoog in een boom hing. Hier was eindeloos geprobeerd om het ding uit de boom te trekken, zo vastgewikkeld en treurig zat het plastic in de boom geklemd tussen de kale takken. Ik zag een vader met een jengelend kind proberen om de vlieger los te krijgen. Na een uur proberen waren ze maar gegaan.

Nee, dat kon allemaal niet op tegen het konijntje. Een halfjaar terug betrapte ik bij het rennen nog een paartje dat de liefde bedreef in de bosjes bij het strand van Almere. Hij stond innig ineengestrengeld achter haar. Misschien was dat wel konijntje.