Bovenop had zich een dun laagje ijs gevormd, dat dikker werd naarmate het dichter bij de kant kwam. De golven duwden het ijs omhoog en gaven het ijs iets van een tafellaken dat werd uitgeklopt werd. Je wist dat onder het ijs het water golfde. Het leek of de golven gemaakt werden door een paar vrijwilligers, zoals bij een toneelstuk gebeurt als het schip in een ruwe storm verkeert.

Aan de kant had zich het ijs opgehoopt tot een stapel dunne schijfjes. Op de bevroren golven bewogen eindeloze hoeveelheden stukjes ijs. Alsof iemand honderden ruiten had laten sneuvelen en de stukjes glas bij elkaar had geveegd. Zo lagen al de stukken ijs over, op en door elkaar heen en schommelden mee op de maat van de golven.

De stilte op de dijk zorgde dat de symfonie van het kruiend ijs extra goed te horen was. De stukken ijs schuurden langs elkaar en tikten het zachte geluid van brekend glas na. De golven duwden de stukken ijs omhoog wat bij iedere daling een geroffel en geschuifel losmaakte. Terwijl ik zo rende vroeg ik mij of ik nu echt de enige was die dit bijzondere moment meemaakte.