Het ruikt voorjaar in de lucht, de zon zweeft laag voor mij uit. Alles kleurt in een oranje gloed en in de boom zingt de vogel even hoog als hij zich bevindt. Een kleine vogel zonder kleur, daarvoor is de afstand te ver en de gloed te rood. Ik zie alleen het silhouet van de vogel. Ik vermoed dat het een nachtegaal is, maar waarschijnlijk is het een merel.

Maarten ‘t Hart maakt zich druk om dergelijke opmerkingen, schrijft Midas Dekkers in het boekenweekgeschenk van deze boekenweek. ‘Hij windt zich juist op over Oek de Jong die schrijft dat er ‘een vogel zong’. Waarom weten schrijvers niet welke vogel? Als ze al eens schrijven dat er een leeuwerik zingt, dan zal het wel een merel wezen, schampert ‘t Hart.’

Ik weet alleen van hoge uithalen, die dat kleine vogeltje daar bovenin de top van de boom, zingt. Als ik bijna thuis ben fluiten de merels de laatste noten. Het is bijna donker, ik zie de eerste twee vleermuizen om elkaar heen dartelen langs de muren van de huizen. Ze zijn wakker! Het voorjaar is begonnen!