Rumoer in de letteren is natuurlijk heerlijk. De literatuur drijft op de haat en nijd. Iemand met minderwaardigheidsgevoelens is altijd snel uit de tent te lokken. Het lijkt erop dat het literair landschap vol zit met minderwaardigheidsgevoel. Je zou denken dat ze van dat vervelende gevoel af waren door het schrijven, maar het lijkt wel of elk gedicht, elk verhaal en elke roman de gevoeligheden vergroten.

Zo volg ik opnieuw met interesse Driek van Wissen die zich uitlaat over de dingen die Komrij zegt in een interview in het tijdschrift van NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag. ‘Ik heb hem helemaal niet gebeld’, krijst de tweede ex- Dichter des Vaderlandse tegen de eerste ex-. ‘Ik heb zelfs zijn telefoonnummer niet. Bovendien krijg ik keurig 225,24 euro voor mijn gedichten op de voorpagina van het NRC.’ En hij houdt het bonnetje keurig omhoog met de handtekening van de hoofdredacteur van NRC eronder.

Bij dat Dichter des Vaderlands gedoe vliegen de teleurstellingen over en weer. Huilt de één dat de ander geslagen heeft en laat de blauwe plek zien omdat een ander gekrabt heeft. Ik vraag mij af waarom er überhaupt een Dichter des Vaderlands is. Als ik kon dichten en het zou mij door de strot geduwd worden, zou ik er helemaal niet aan beginnen.

De eerste had het niet kunnen weten dat deze functie tot zoveel ‘waardering’ zou leiden, maar de rest wist het. En waarom vertelt Driek van Wissen niet gewoon dat hij nu een mooie collectie van tachtig vlinderstrikken erbij heeft (met bolletjes, sterretjes en in alle kleuren) en dat hij heerlijk elke week ergens in Nederland een rijmseltje opboerde.

De literatuur begint echt iets van een dierentuin te hebben. Het thema van volgend jaar wordt ‘In de drek voel ik mij prettig’. Schrijvers zijn er knorrig genoeg voor.