Hij zat eenzaam op de rand van het dammetje. Het dammetje stelde niet veel meer voor dan een paar houten planken waar aan zijn linker en rechter zijde wat water stroomde, om het water wat in beweging te houden en ook voor het vrolijke gekletter. Tegenover hem hing een dikke jongen over de reling van de brug. Allebei staarden ze naar het water dat tussen hen in lag. Het wateroppervlak bestond uit een heel parket met kringen waarin de regen de sloot binnen viel.

De eend hield zijn snavel dicht, het koppie een beetje schuin en de ogen tuurden gedachteloos naar het kringencircus. Wat een rotweer zag je hem denken. De jongen trapte verveeld tegen de stalen buis van het bruggetje, rekte zijn been, draaide zich een stukkie om en liep weg. Ook al liep hij met zijn rug van mij weg. Ik zag hem denken.